Door: Peter Brink
Paul Gascoigne had de drank. Bij Maradona zag je het aan zijn pupillen. Hans Kraay junior had De Kist. En Willem van Hanegem zag waar anderen slechts keken. Tegenwoordig hebben voetballers een nieuw hulpmiddel: snus. Een zakje nicotine onder de bovenlip en je bent weer het mannetje. Ook in het jeugdvoetbal duikt het spul op. Clubartsen maken zich zorgen. Kinderen die nog niet weten wat ze later willen worden, denken nu al iets nodig te hebben om beter te presteren.
Wij hadden vroeger ook onze doping. Alleen kwam die niet uit een zakje of blikje, maar uit een flipperkast. Willem van Hanegem voetbalde met staar. Toch overzag De Kromme het spel alsof hij een derde oog had. Terwijl anderen naar de bal keken, wist hij al waar die naartoe moest. Intuïtie genoeg.
Hans Kraay junior had Simon Kistemaker. De Kist: motivator en voetbalbeul. Geen koolhydraatarm dieet voor Hansie. Hij hongerde niet naar minder eten, maar naar liefde. All You Need Is Love, het liefst van De Kist. De wereld van Sofie was nog ver weg. Tegen RBC moest hij Pierre van Hooijdonk bewaken. De Kist wilde dat zijn spelers met het mes tussen de tanden speelden. Beeldspraak, uiteraard. Maar tegen Hansie was hij concreter: ‘Je moet hem in zijn oor bijten.’ Kraay nam het bevel iets te letterlijk. Bij een corner beet hij Van Hooijdonk in zijn nek. Liefde is ook doping. Je hoeft er alleen niet voor naar de dealer. Bij Hansie stond die dagelijks voor zijn neus, met een pet op en een trainingspak aan.
De keeper van de Heemsteedse zaalvoetbalclub TumTum speelde niet om te winnen, maar voor de lach die hij gaf en terug wilde krijgen. Zonder het te weten was hij een mental coach. Met zijn lach haalde hij de spanning weg en bracht hij mensen bij elkaar. Na afloop werd er ook gebeten: in de bitterbal, dé voetbalsnack bij uitstek. Ook dat was prestatiebevordering, vermoedde ik. Voor de sfeer en de kantineomzet. Gelukkig heb ik aan mijn eigen jeugd een actieve herinnering. Tot mijn twaalfde verliep mijn zaterdag volgens een vast schema. Om halfnegen voetbalplaatjes halen bij Prince, daarna ruilen op de club en vervolgens voetballen. In de E7, D7 of C3. Mijn vader was er altijd bij. Ook uit. Na afloop kreeg ik een gulden. Niet voor snus, maar voor cola. En toen kwam het dilemma: meteen uitgeven of investeren in de flipperkast met Dolly Parton? Na verloop van tijd scoorde ik genoeg punten voor een vrij spel. Na een paar uur flipperen verkocht ik mijn vrije spelen en ging ik shoppen bij de buurman. Bij Stormvogels kostte cola een gulden; bij buurman SVIJ was een flesje Exota zestig cent. Hoe meer ik in mijn mond kon proppen, hoe beter. Met meerdere guldens nam ik er een patatje bij.
Voetbal was mijn leven. Tot ergernis van meneer Bosman, mijn meester in de zesde klas. Hij was anti-voetbal en had de pech een klas onder zijn hoede te hebben met de beste voetballers van Velsen. Met de Eenhoornschool werden we twee keer schoolvoetbalkampioen. Ik mocht ook een keer meedoen. Als er toen snus was geweest, had ik misschien een geweldige wedstrijd gespeeld op het hoofdveld van Telstar. Nu stond ik stijf van de zenuwen. Normaal speelde ik tegen Spaarnwoude D2. We wonnen. Meneer Bosman zag vooral de keerzijde: in de pauzes sneuvelde weleens een ruit en hij moest de schade tegenover het schoolbestuur verantwoorden. Voor hem was het glas halfleeg. Hij was blij dat we van school waren.
Op maandag moesten Hans, Peter, Peter, Ron, Marco en Marc – die onlangs is overleden – een opstel schrijven over het weekend. Allemaal schreven we over voetbal. Terwijl wij schreven, las meneer Bosman zijn krant en rustte hij uit van een weekend zonder balsport. Hij legde zijn benen op tafel en stopte zijn pijp. Acht weken lang kreeg hij mijn voetbalverhalen voorgeschoteld. Toen riep hij me bij zich. ‘Hé Peter, wil je eens wat anders schrijven over je weekend? De dierentuin bijvoorbeeld. Een wandeling. Muziekles.’ Hij had genoeg van voetbal. Ondanks meneer Bosman schrijf ik nog steeds over voetbal. Tegenwoordig ook over de randzaken.

Het Amsterdamsche Voetbal Doelgericht