Door: Peter Brink
Ik heb last van stemmen in mijn hoofd. Niet de stemmen waarvoor je onmiddellijk professionele hulp moet zoeken. Meer van die stemmen die je op een voetbalveld ook hoort. De ene zegt dat je naar je lichaam moet luisteren. De andere vindt dat je niet zo moet zeuren. Bij mij vechten deze interne handpoppen voortdurend om voorrang.
De Stoere: kom op, doorzetten. Het is maar een beetje pijn.
De Flierefluiter: neem vanavond een biertje.
De Perfectionist: doe eens normaal, je weet dat je daar morgen spijt van hebt.
De Winnaar: morgen gewoon trainen.
De Redder: het team heeft je nodig.
En ergens achterin zit De Voeler. Die zegt niets. Die voelt alleen. Sinds de 0.0 bestaat, is het trouwens allemaal nog ingewikkelder geworden. Vroeger had je gewoon één stem die zei: bier. Nu heb je er eentje die zegt: witbier, eentje die zegt: 0.0 en een derde die vindt dat je überhaupt geen plezier meer mag hebben. Ik zat daarvoor laatst bij de dokter. Brobbey zat er ook. Goes. Daal. Geertruida. Gakpo. Van der Ven. Ik herkende ze allemaal. Niemand keek terug.
Voetballers kijken bij een dokter altijd alsof ze hopen dat hun lichaam anoniem blijft. Splinter keek wel terug. Nota bene zelf dokter in spé. Dat vond ik geruststellend. Tot ik bedacht dat Splinter daar als patiënt zat. De twee dingen in het leven die nooit liegen, zijn de ranglijst en je lichaam. De dokter is meestal degene die je daaraan herinnert. De strompelende internationals dachten ondertussen vooral aan hun entrenador. Ze moesten hem een brief schrijven en hun gevoelens op papier zetten.
I am not Dumfries.
Mi musculatura parece a Usain Bolt.
Este entrenamiento no es tiki-taka.
Less is more.
Tranquilo, hombre.
Michel wants to drink cerveza in the bus, why we drink isotone dorstlesser?
In de machowereld van het voetbal zitten de handpoppen voorin de bus. De Baas zit met zijn armen over elkaar. De Winnaar wil altijd door. De Perfectionist heeft al drie keer gevraagd hoe laat de training begint. De Held wil niemand teleurstellen. En De Magiër denkt dat hij met een beetje wilskracht iedere blessure kan wegtoveren. De Voeler zit achterin. Die zegt weinig. De sensaties staan op de spaarbrander.
Je bent moe.
Je hebt pijn.
Vandaag even niet.
Als hij dit communiceert, zit hij straks op de bank of tribune. Weg huis, Porsche en influencer-vriendin. Iedere speler heeft zijn eigen gebruiksaanwijzing. De trainer is soms een soort torreador. Hij zwaait met zijn rode doek en de speler gaat erachteraan. Nog een stap. Nog een training. Nog een wedstrijd. Maar iedere speler reageert anders op die rode doek. En daar zou een trainer misschien wat vaker naar moeten kijken. Wat wil die speler? Wat heeft hij de afgelopen dagen gedaan? Hoe zit zijn spierhuishouding in elkaar? Heeft hij pijntjes? Een zwabbervoet? Of zegt hij alweer dat het prima gaat, terwijl zijn lichaam iets anders beweert? Trainers communiceren vaak van boven naar beneden:
Dit is het plan.
Dit is de intensiteit.
Dit gaan we doen.
Maar misschien moet de vraag soms van beneden naar boven komen.
Wat zegt het lichaam?
En vooral: welke handpop zit er voorin? Ik moest daaraan denken toen Splinter geblesseerd raakte. Afgelopen seizoen nauwelijks gespeeld en nu doordeweeks ook spelen tegen Groene Ster. Ik weet natuurlijk niet precies wat er in zijn hoofd gebeurde en al helemaal niet wat medisch verantwoord was. Maar ik vraag me wel af welke handpop daar voorin zat.
AFC heeft je nodig.
De KNVB-beker kan geld opleveren.
Wees sterk.
Stel je niet aan.
Misschien stond De Voeler achterin op een stoel te wuiven.
Jongen, je bent geen machine.
Maar in de machowereld van het voetbal luisteren we nu eenmaal liever naar de bikkel dan naar de twijfelaar. Hansie zat daar ook ooit mooi tussenin. Hans had jarenlang zonder meniscus gevoetbald. Dat vond hij blijkbaar geen reden om te stoppen. Nu had hij af en toe wat pijntjes. Vooral tijdens interviews. Jarenlang had zijn lichaam op het veld niets gezegd. Zodra er een microfoon voor zijn neus kwam, begon het ineens te klagen.
Raymond Verheijen zegt al jaren dat het voetbalschema krankzinnig is. Wedstrijden worden op elkaar gepropt, spelers reizen de halve wereld over en 72 uur later moeten ze alweer presteren. Raymond Verheijen praat veel. Heel veel. Hij hoort zichzelf ook graag praten. Ruim dertig jaar geleden zat ik met Raymond en de toenmalige trainer van Huizen in een huiskamer in Uitgeest. Vier flessen wijn. Vier, misschien vijf uur Raymond. Bijna een monoloog. Af en toe kwam Roy ertussen. Ik luisterde vooral. Ik heb er veel van geleerd. Over periodisering. Arbeid en rust. Inspanningsfysiologie. Over wat een lichaam allemaal nodig heeft voordat een voetballer denkt dat hij weer kan voetballen. Raymond wist er veel van. En hij kon er lang over praten. Heel lang. Aan het einde van die avond wilde ik naar huis.
Ik vroeg: ‘Kan ik morgen nog trainen?’ Ik verwachtte een verhaal.
Over herstel.
Over inspanning.
Over alcohol.
Over fysiologie.
Maar Raymond zei niets. Hij liet een stilte vallen. Lang genoeg om de boodschap te voelen. Acht uur later kwam er bij mij een handpop naar voren. Die zei: Ik ben sterk. Ik kan best trainen. Ik voel me prima. Kom op. Natuurlijk ben ik toch gaan trainen. In de sportschool van Piet. De handpoppen zaten alweer in de bus. De winnaar voorin. De held ernaast. En ergens achterin de voeler. Hij fluisterde wel. Ik hoorde hem. Maar ik luisterde niet. Ik keek wel. Maar ik zag het niet. Mijn gedrag is soms ook net als Brobbey, Splinter en Gakpo. Er is maar één ding dat altijd de waarheid spreekt: Het lichaam liegt nooit, je moet alleen luisteren.

Disclaimer: Deze column is met een knipoog geschreven en berust deels op satire. Gebeurtenissen, uitspraken en anekdotes worden in een humoristische context geplaatst en kunnen voor het satirische effect zijn uitvergroot.
Reageren op de column? Dat kan! E: info@hetamsterdamschevoetbal.nl
Het Amsterdamsche Voetbal Doelgericht