Zaterdagavond 21 maart gaat DVVA ‘los’ met een spetterende feestavond. Het is de aftrap van een ongetwijfeld memorabele feestweek, want komende woensdag 25 maart 2026 is het de officiële dag dat de vereniging 95 jaar bestaat. We spraken de afgelopen weken met oud-voorzitter Duco Abspoel, één van de oudste leden Jan van Capel en Judith Cohen die al 21 seizoenen speelster is van Dames 1 en voormalig bestuurslid. In een heuse drieluik nemen we jullie mee terug in de (recente) geschiedenis van de vereniging. In deel één aan het woord: Jan van Capel.
De ziel van een kleine club
Op een terrein waar de kleedkamers krap zijn, het gras zelden perfect en de tribune eerder een idee dan een bouwwerk, bestaat een vereniging die al 95 jaar standhoudt: DVVA, verscholen in Amsterdam-Oost. Geen grootspraak, geen spelersbegroting, geen ´gelukszoekers´ die voor geld komen. En toch: een vereniging met een ziel die generaties overspant.
Voor het verhaal moet je luisteren naar mensen als Jan van Capel (83) – één van de oudste leden van de vereniging. Zijn herinneringen zijn geen strak geordend archief, maar een levend landschap van beelden, namen en geuren. Bier en broodjes kroket. Moddervelden. Familieleden die de club draaiende hielden.
“Ik kwam bij DVVA puur voor de gezelligheid,” zegt Van Capel. “Dat was eigenlijk de enige reden.”
Van Nieuwveen naar Amsterdam-Oost
In 1970 arriveert Van Capel bij DVVA. Hij is dan 28 jaar, geboren in het Zuid-Hollandse Nieuwveen, waar hij speelde bij Nicolaas Boys. Daar kende hij succes: kampioenschappen, promoties, degradaties — het hele amateurvoetballeven.
Maar het leven had hem naar Amsterdam gebracht: werk, een vrouw, een nieuw bestaan. En via een zwager – spelend in het vijfde elftal – kwam hij bij DVVA terecht.
“Kom bij ons,” had mijn zwager gezegd. “Gezellige club.”
Het bleek geen loze belofte.

Een club als gemeenschap
DVVA telde toen vijf elftallen. Klein, overzichtelijk. Geen anonieme massa, maar een verzameling mensen die elkaar kenden. Families vormden de ruggengraat.
“Er waren echt families waar de club op dreef,” vertelt Van Capel. “De familie Schalk bijvoorbeeld. Vader Schalk deed alles: kleedkamers schoonmaken, lijnen trekken, ballen oppompen. En zijn zoons zaten in de selectie.”
Ook de naam Henk van Driest komt steeds terug. Een speler, aanvoerder, en volgens Van Capel “de grootste DVVA’er die er is geweest.” “Hij was altijd beleefd, kaarsrecht. Zelfs naar de scheidsrechter toe. Voor de wedstrijd altijd even een praatje. Dat kon geen kwaad, vond hij.”
Het typeert de cultuur van de club: sportief, respectvol, zonder opsmuk.
De onbetwist grootste DVVA’er, Henk van Driest, had een originele manier om de namen van zijn kinderen te kiezen, uiteraard – neem ik aan – in overleg met zijn vrouw. Hij was een vooraanstaand valutahandelaar en in zijn tijd had elk Europees land nog een eigen munt, waar vaak veel over te doen was, soms zelfs sprake van een crisis. Toen er onrust was rond de Franse franc, werd zijn oudste zoon geboren; die ging dus Frank heten. Een paar jaar later was er veel te doen over de Duitse mark; zijn tweede zoon, die toen werd geboren, heet dus Mark. Frank en Mark hebben ook bij DVVA gevoetbald.
De keet langs de sloot
De accommodatie van toen is nauwelijks te vergelijken met die van nu – en zelfs nu is DVVA geen luxe complex. “We hadden een klein clubhuis,” zegt Van Capel. “Eigenlijk een keet. Vier kleedkamers, een hokje voor de scheidsrechter en een ruimte met een barretje.” Dertig vierkante meter, misschien.
“Maar er was genoeg bier en broodjes kroket,” voegt hij toe. Bij mooi weer werden stoelen naar buiten gesleept. Supporters – familie, kinderen, een enkele vriend- keken vanaf de rand van het veld. Een tribune was er niet. Nooit geweest. En toch was het genoeg.
“Wanneer de huidige kantine precies is gebouwd, weet ik niet meer. Wel staat me bij dat een groot deel van het werk is uitgevoerd door de eigen leden, onder leiding van de toenmalige voorzitter Jaap Heesen. Zo herinner ik me dat Hans Rengerhart – de zoon van Chris, die als machinist op de grote vaart werkte en, wanneer hij in het land was, ook meespeelde – de complete verwarmingsinstallatie voor zijn rekening heeft genomen. Ook Jan Dekker, die een schildersbedrijf had, was zeer actief betrokken.”
“Daarnaast herinner ik me de namen van spelers die in verschillende commissies zaten, zoals Ron Vredenburg en Harrie Nieuwenhuis; echte clubmensen. Ongetwijfeld sla ik mensen over, want het is inmiddels behoorlijk wat jaren geleden.”
“De oprichter van de club, meneer Bokma, destijds hoofd van een school in Amsterdam-West, kwam ons ooit een keer gedag zeggen in de kleedkamer. Hij bleef echter in de deuropening staan vanwege de damp die er hing. In die tijd mocht er namelijk nog gerookt worden, zelfs in de rust.”
Voetbal zonder schreeuwers
DVVA stond bekend als een nette club. Dat is geen marketingzin, maar een sociale afspraak. “Vloeken werd niet getolereerd,” zegt Van Capel. “Schreeuwen ook niet, tenzij het aanmoediging was.”
Spelers die zich niet aan die norm hielden, verdwenen vaak vanzelf. “Als je zag dat iemand een ‘schopper’ was, dan was hij ook zo weer weg.” Het is een opmerkelijk contrast met het moderne amateurvoetbal, waar emotie en agressie soms de boventoon voeren. Bij DVVA gold een andere standaard.
Van vijfde naar selectie
Van Capel begon in het vijfde – logisch, want daar speelde zijn zwager. Maar al snel zag elftalbegeleider Chris Rengerhart meer in hem. “Hij vond dat ik hoger kon spelen,” zegt Van Capel. Zo belandde hij in de selectie van het eerste en tweede. Door zijn werk kon hij niet altijd trainen, dus werd het uiteindelijk het tweede elftal. “Prima,” zegt hij nuchter.
Kampioen met knikkende knieën
Een van zijn dierbaarste herinneringen is een kampioenswedstrijd met het tweede. Trainer was Jan Prevoo, voormalig doelman van Blauw-Wit en een man met ervaring. “Hij pakte het professioneel aan,” zegt Van Capel. “We moesten om tien uur verzamelen bij de Bosbaan.” Geen warming-up op het veld, maar een wandeling. Koffie op een terras. Rust. “We moesten de hoofden leeg maken.” Het effect was… anders.
“We gingen zo gespannen het veld op dat niets lukte,” lacht Van Capel. “Maar tien minuten voor tijd maakten we de 1-0. Toen brak de spreekwoordelijke hel los in de kleedkamer.”
Praag en Panenka
“Van feesten op de club kan ik me niets herinneren, wel van leuke reisjes.” Misschien wel het meest bijzondere verhaal speelt zich af in het buitenland. Met DVVA-8 – het laagste elftal – reist Van Capel naar Praag. Via een schoonvader van een teamgenoot wordt een tegenstander geregeld. “Die dacht: Amsterdam, Ajax – dus dat zal wel goed zijn,” zegt Van Capel. Het werd een team vol oud-internationals. Inclusief Antonín Panenka, bekend van zijn legendarische strafschop. “We werden volledig weggespeeld,” zegt Van Capel.
Maar het ging niet om de uitslag. Het ging om de ervaring: ontvangst in een stadion, gezamenlijke diners, nachtelijke wandelingen door Praag en later Amsterdam. “Dat soort dingen vergeet je nooit.”
Een club die groter werd
In de loop der jaren verandert DVVA. Studenten ontdekken de club. Complete studententeams sluiten zich aan. “Het werd een trekpleister,” zegt Van Capel. Waar eerst vooral werkende Amsterdammers speelden, ontstaat een nieuwe mix. Jong en oud, student en niet-student. Van Capel speelt nog even mee, maar merkt dat het tempo hem inhaalt. “In 2002, op mijn zestigste, ben ik gestopt.”
Een afscheid in mineur
Zijn laatste rol bij de club is die van scheidsrechter. Op verzoek van Henk van Driest. Maar het eindigt niet zoals hij gehoopt had. “Bij een wedstrijd werd ik uitgescholden door een speler van JOS,” zegt hij. “Voor lafaard.” Voor iemand die zijn hele carrière zonder schelden had gespeeld, was dat de druppel. “Ik heb het fluitje ingeleverd.”
Organisatie
Vandaag kijkt Van Capel met bewondering naar de huidige vereniging. “Het is nu bijna een bedrijf,” zegt hij. “Zoveel teams, zoveel organisatie.” Maar ondanks die groei is er iets hetzelfde gebleven. “Er was toen weinig publiek,” zegt hij. “En dat is nog steeds zo.” Geen massale tribunes, geen hordes supporters. Maar genoeg mensen voor een goede kantineomzet – en misschien is dat precies wat DVVA typeert. “Wel komt de club vaker in het nieuws. De Amsterdamse editie van de Telegraaf presenteert zeker eens in een maand een redelijk groot wedstrijdverslag over het eerste. En ook bijzonder, nu de vierde divisie is bereikt is het wedstrijdverloop elke zaterdag live op Teletekst te volgen.” Geen spektakelclub. Maar een plek waar mensen (graag) blijven. Dát is DVVA!
Parool-bal

“In de jaren tachtig had Het Parool een wekelijkse fotorubriek waarin een wedstrijdbal werd uitgereikt, meestal aan jeugdelftallen, ter stimulering. Op een mooie zaterdag kregen wij met het tweede team de Parool-bal. Uiteraard wilde iedereen op de foto: het bestuur, de trainer. De bal werd uitgereikt door Joop Stoffelen, ex-Ajax, ex-Blauw-Wit en ex-international. Aan wie we die uitverkiezing te danken hadden, is me tot op de dag van vandaag niet duidelijk.”
Tekst: Harold van Ineveld i.s.m. Jan van Capel.
Het Amsterdamsche Voetbal Doelgericht