Voetbaltrainer en keeperscoach neemt aan het einde van het seizoen afscheid bij v.v. Zwanenburg
Door de jaren heen verandert een voetbalveld van aanblik. Doelen worden vernieuwender qua materialen, kunstgras vervangt natuurgras, clubgebouwen krijgen strakkere lijnen. Maar de essentie – de geur van écht gras, het geluid van een leren bal die strak wordt geraakt, het geroezemoes langs de lijn… – dát blijft herkenbaar. Soms is er iemand die die hele ontwikkeling niet alleen heeft meegemaakt, maar ook heeft belichaamd. Iemand die niet in één fase van het spel is blijven hangen, maar telkens opnieuw een plek vond: als jeugdspeler, als doelman, als trainer, als keeperstrainer, als assistent….
Jan Prevoo is zo iemand.
Hij is 78 jaar (zelf corrigeert hij tussendoor: “Ik word in april 79”), en hij stopt aan het einde van dit lopende seizoen, na zeventig jaar voetbal. Zeventig jaar: het is zo’n getal waarbij mensen automatisch even stilvallen. Niet omdat ze het niet geloven, maar omdat ze meteen beseffen wat het betekent: iedere zaterdag of zondag, ieder seizoen, iedere reeks van nieuwe ploeggenoten, trainers, clubbesturen, velden, kantines, kleedkamers. Een leven lang in ritme van trainingsavonden en wedstrijddagen.
Jan staat momenteel nog op het veld als keeperstrainer van v.v. Zwanenburg, koploper in de vierde klasse. Daar, in dat laatste hoofdstuk van zijn voetbalreis, komt veel samen: de liefde voor het (keepers)vak, het plezier in het werken met een groep, de ervaring uit tientallen kleedkamers, en tegelijk de nuchtere constatering dat er een moment komt dat je zelf de regie moet pakken. “Nu vind ik het slechts een getal hoor 70…,” zegt hij, en je hoort hem bijna glimlachen om de symboliek. “Anders krijg je de lachers op je hand.” Maar ook: “Ik ga niet door. Ik stop echt.” Niet uit teleurstelling, niet omdat hij er genoeg van heeft in cynische zin, maar juist omdat hij voelt dat het moment klopt. En omdat hij weet hoe het in het voetbal kan gaan: dat een vereniging je na al die jaren ineens vertelt dat het mooi is geweest. Jan wil dat voor zijn. Hij wil zelf afscheid nemen, de regie in eigen handen houden. “Het bestuur van Zwanenburg, de technische commissie, de staf en de spelersgroep wilden graag dat ik nog een seizoen doorging. Het licht stond volledig op groen. Ik voel me oprecht gevleid, maar het is nu echt tijd geworden voor de jongere generatie(s).” Deze week begint zijn laatste deel van die reis richting het einde van het seizoen. “Het mag van mijn zo lang mogelijk duren.”

De beginjaren: DVVA
Jan begint op negenjarige leeftijd. DVVA in Amsterdam-Zuid bij Door Vriendschap Verenigd Amsterdam. Het verhaal begint niet met een grote droom of een plan, maar met iets dat in het voetbal vaak de motor is van een heel voetballeven.
“Je vriendje speelde bij DVVA, dus daar ging je mee,” opent Jan. Ze woonden in Amsterdam-Zuid en zo rolt hij het voetbalspel in dat later zijn levenstempo gaat bepalen. Het beeld dat hij schetst is bijna klassiek: vaders langs de lijn, training in het Amsterdamse Bos, zaterdag het echte werk op de club. Zijn eigen vader is betrokken, samen met een andere welwillende vader – “meneer Wilke” – als trainers. “Die trainden met ons in het Amsterdamse Bos. En dan zaterdag speelden we bij DVVA, het oude clubgebouw stond toen nog aan de andere kant, tegen de snelweg aan. Ik heb daar nog foto’s van. Ook van de bouw van het nieuwe, huidige, clubgebouw. Wij waren de DVVA-Benjamins. En dat was een hele leuke tijd.” Dat ‘leuke’ blijft een constante in zijn herinnering, zelfs wanneer de teleurstellingen soms langskomen. Het is opvallend: Jan spreekt realistisch, soms hard over zichzelf en over het voetbal van nu, maar als hij terugkijkt op de kern van het spel – samen trainen, samen spelen – klinkt een soort warmte door. DVVA is voor hem niet alleen de eerste vereniging, maar een beginpunt waar later ook weer lijnen naar teruglopen: hij komt er veel later terug als voetbaltrainer.

De eerste stap richting “betaald voetbal”
In een volgende fase komt Ajax in beeld. Niet het Ajax zoals het nu een internationale grootmacht is, maar Ajax als talentenplek waar een jongen via-via binnenkomt. Een kennis van zijn vader – Arie de Haan, “niet dé Arie Haan, maar een andere” – beveelt hem aan. Vier jaar lang speelde de jonge Jan bij Ajax, door een voetbalinstuif waar zo’n 250 jongetjes op afkwamen. Jan werd wél gekozen, anderen vielen af. Jan speelde onder andere met Henk Bijlsma, nog altijd actief bij AFC. Jan gaat daarna naar Blauw-Wit. En dan gebeurt iets wat voor veel voetballers van zijn generatie herkenbaar is: het gevoel dat je aan de rand staat van iets groters. Dat je net dichtbij genoeg bent om te dromen van betaald voetbal. “Dierbaar? Ja, alle momenten zijn natuurlijk mooi. Ja, eigenlijk een mogelijke overgang, zeg maar, dat je dus zelf voetbalt, dat je dus denkt dat je tegen betaald voetbal aanzit, dat vond ik wel heel leuk.”
Dat moment – die overgang van “gewoon een goede amateur” naar “misschien zit er meer in” – noemt hij als een dierbare periode. Niet omdat het eindigde in een glanzende doorbraak, maar juist omdat het de intensiteit van ambitie en mogelijkheid in zich draagt. Joop Brand meldde zich. Brand was een naam bij Go Ahead Eagles. Een andere naam valt later: meneer František Fadrhonc. Een uitnodiging volgt: hij mag zich laten zien in Deventer bij Go Ahead Eagles. Voor de keeper uit Amsterdam is het een kans: “Dat vond ik best leuk, dus ik ging daarheen.” Maar Jan zit in dienst. En niet zomaar in een onderdeel waar je wat ruimte krijgt om naar een voetbaltraining te gaan. Hij is ingedeeld bij de marine, een begrip in de familie van Jan, het onderdeel ‘Korps Mariniers’, maar daar is weinig rek voor een voetbaltraining in Deventer. Trainer Fadrhonc in Deventer is duidelijk: als Jan niet kan komen trainen, dan houdt het op. Hij kan eventueel worden doorgeschoven naar het amateurgedeelte, maar daar komt Jan niet voor. Dan kan hij net zo goed in Amsterdam blijven. Het is een teleurstelling die decennia later nog een beetje in zijn stem zit. Niet bitter, wel helder: “dit was een kruispunt. En het werd geen afslag naar het betaalde voetbal. Dat was wel teleurstellend, want daar had je natuurlijk al graag door willen breken. Had ik bijvoorbeeld bij de Landmacht gezeten, dan had het plaatje er wellicht anders uit gezien.”

Van Braam Houckgeestkazerne
Zijn beschrijving van die tijd is ook praktisch. De treinreis, het gebrek aan iets meer comfort, het feit dat Deventer “geen doel” was. Hij vertelt over de brommerrit vanaf het station naar de Vetkampstraat. Over zijn vader die heen en weer moest rijden. Over Doorn, waar hij op de Van Braam Houckgeestkazerne zat. Over Den Helder, over oefeningen, over de realiteit dat voetbal toen nog geen systeem had dat zich aanpaste aan sporters. En het zegt iets over de generatie. “Het Korps Mariniers is overigens fantastisch, laat dat duidelijk zijn.”

Terug in de regio
Via omwegen komt Jan uiteindelijk terecht bij Aalsmeer. Een belangrijke naam in dat hoofdstuk is Simon Kistemaker. Een vriend van Kistemaker – Henk Wenderhold, destijds trainer van Aalsmeer – haalt Jan naar de club. Zo begint een lange periode waarin Jan het doel bewaakt en Aalsmeer in sportieve zin groeit. “Het langst heb ik bij Aalsmeer in het doel gestaan. Zo’n 9 of 10 jaar.” Hij maakt kampioenschappen mee. Hij ziet de club stijgen van de derde klas naar de hoofdklas. Alleen eentje ontbreekt: “kampioenschappen in de tweede klas heb ik niet meegemaakt.” Maar verder is het een opmars waar hij, als keeper, een vaste factor in is.
Het keepersleven is een bijzonder leven. “Je bent altijd zichtbaar. Eén fout is een doelpunt. Eén redding kan een wedstrijd kantelen.” En dan komt het moment dat iedere keeper kent: vervangen worden. De opvolger en de acceptatie: “dan moet je genoegen nemen met plek twee.” Bij Aalsmeer wordt Jan opgevolgd door Frits van Berge Henegouwen. Jan spreekt over hem met respect, bijna met warmte. “Een fantastische gozer.” Hij is inmiddels overleden, zegt Jan even later en dat raakt hem. “Het meest trieste is… veel van de namen die ik nu laat vallen zijn allemaal al overleden.” Het is een zinnetje dat blijft hangen, omdat het een schaduw werpt over die zeventig jaar voetbal. Wanneer de trainer kiest voor Frits, krijgt Jan een keuze. Hij wordt tweede keeper. Je zou verwachten dat daar wrijving ontstaat, zeker bij een fanatieke speler, maar Jan zegt het rustig: “Dan moet je gewoon genoegen nemen met plek twee.” Had hij er moeite mee? “Nee. Ik was toen drieëndertig, vierendertig. Ik stond er vanaf mijn twintigste in. “Dan mag je niet mopperen.” Dat wil niet zeggen dat hij overal mild was. Integendeel. Jan is iemand die discipline hoog heeft zitten en dat past bij keepers: je kunt geen chaos verdragen als je achterin staat. Maar in zijn eigen verhaal over plek twee klinkt sportieve volwassenheid. Het typeert hem: fanatiek, maar nooit rancuneus.
Wessel Colijn: “Jan is een gedreven persoonlijkheid, maar bovenal een prettig persoon.”
Trainer
Jan wordt trainer, jeugdtrainer, assistent, keeperstrainer. En zijn begin als trainer is bijna een klein clubverhaal op zichzelf. Hij staat bij DVVA op het veld als trainer, maar zonder papieren. Dan komt hij een oude bekende tegen: meneer Van der Voort, oud-trainer in de Ajax-jeugdopleiding, die hem aankijkt en direct vraagt: “Maar Jan, heb jij eigenlijk wel de papieren?” Jan zegt eerlijk dat hij die niet heeft. En Van der Voort zegt iets dat voor Jan bepalend blijkt: “Die moet je gaan halen.” Het was geen boze vermaning, maar een richtingaanwijzer. Jan noemt het het begin van zijn cursuspad. Ton Ojers, wie kent hem niet, wordt zijn eerste docent. Het geeft ook een tijdsbeeld: vroeger kon je als trainer-coach met gezag en ervaring langs de lijn staan, maar de professionalisering kwam op. En Jan bewoog gewoon mee. Later noemt hij ook iets wat hem nu juist tegenstaat: “dat je zelfs als keeperstrainer keeperspapieren moet hebben.” Hij heeft papieren om tot en met de tweede klasse te trainen, maar geen specifieke keeperspapieren. En daar klinkt iets in door van zijn karakter: hij gelooft wel in kwaliteit, in vakmanschap maar kijkt ook realistisch. “Ik was afgelopen jaar op een trainerscongres in Zwolle, komt daar ineens het woord ‘Goalplayer’ naar voren. Wat voegt dat nu echt toe?”

Hajo Hendriks: “Jan is sociaal, loyaal en een echte verbinder. Onze samenwerking voelde heel vertrouwd. Het was een groot genoegen om met hem samen te werken.”
Voetbalatlas
Als je Jan vraagt waar hij allemaal heeft gezeten, komt er geen gladgestreken cv, maar een stroom van herinneringen, met jaartallen, met namen, met fusies, met details. Het is alsof je door de voetbalkaart van Amsterdam en de regio reist. DVVA, Blauw-Wit, RAP, AVV Alphen, ROHDA ‘76, Hoofddorp, RODA ’23, NFC, SMS (later VVC), OFC, RKDES, Zwanenburg. En tussendoor bij grootmacht Spakenburg – “twee jaar bij Spakenburg als keeper-trainer, onder hoofdtrainer Henny Lee.” Jan noemt het zelf “een reis.” En dat is het ook: niet alleen geografisch, maar ook in rollen. Hoofdtrainer, assistent-trainer, keeperstrainer, jeugdtrainer. Bij Spakenburg noemt hij hoofdtrainer Lee een sympathiek mens. “Maar met andere trainers heb ik ook super fijn samengewerkt”, zegt Jan droog, bijna als kantinehumor. “Nu met Mitch Snijders bij Zwanenburg, maar zeker ook met onder andere Wessel Colijn, Ruud Visser en Hajo Hendriks. Het fascinerende is dat zijn verhaal niet draait om status. Jan gebruikt verenigingen niet als trofeeën. Hij praat over verenigingen zoals iemand praat over plaatsen waar hij echt heeft rondgelopen: met mensen. En hij is ook eerlijk over de clubs waar het niet klikte. ROHDA ‘76 in Bodegraven (gemeente Bodegraven-Reeuwijk, red.) bijvoorbeeld: “een Feyenoordbolwerk” waar hij als Ajax-man niet landde. Er waren “een aantal spelers” met wie het niet lekker werkte. Jan trekt er een les uit die klinkt als managementadvies, maar dan op gras: “Je moet wel iets pakken wat bij je past. Dat moet klikken, ook met de spelers. Ook bij SCW liep het niet goed af. Ik nam soms een vereniging om een vereniging te hebben. Dat is een wijze les geweest.”

Mentaliteit
Wanneer het gesprek over de veranderingen in het voetbal gaat, schuift Jan naar voren. Dit raakt hem zichtbaar. Hij is voorzichtig met woorden, maar ook scherp. “De mentaliteit onderling wat je vroeger zag… teams gingen bij elkaar in de kantine even napraten. Even een drankje doen. Het was gemoedelijker.” En dan het contrast: “De agressiviteit in het veld en langs de lijn is wel toegenomen.”
Hij noemt een plek in Amsterdam waar hij zich niet meer prettig voelt, maar blijft diplomatiek. Jan zegt eerlijk: “Ik ben altijd blij als ik dáár weer weg ben.” Hij zoekt naar woorden, wil niet stigmatiseren, maar hij benoemt wel wat hij ziet: het ontbreken van menging, het ontstaan van eilandjes, het groepsgedrag dat harder wordt. Tegelijk zegt Jan ook: hij heeft “heel veel jongens” meegemaakt in zijn teams en die waren “geweldig.” Als ze hem ’s nachts zouden bellen, zou hij helpen. Het probleem is volgens hem niet het individu, maar het klonterende groepsgedrag en de sfeer die dat kan veroorzaken. “Je moet zorgen dat die verenigingen gemengd blijven.” Het is een visie die je vaker hoort van trainers en spelers uit oudere generaties: voetbal als plek waar je elkaar leert kennen, waar verschillen vervagen omdat je samen speelt. Jan is bang dat het op sommige plekken juist een versterker wordt van scheidslijnen. Vooral menselijk.
“Spaatje”
De anekdotes komen vanzelf als het over de derde helft gaat. Maar Jan is geen typische kantineheld. Hij zegt het zelf: “Ik ben geen drinker. Ik heb nooit gedronken.” Pas later, op hogere leeftijd, komt er af en toe een pilsje of wijntje. Als speler: niet. Zijn bijnaam bij sommige verenigingen was “Spaatje” – “ik dronk altijd Spa.” Daarbij hoort een tweede detail dat veel zegt over hoe hij zichzelf zag: “Ik ben ook een ijdeltuit. Als ik ging spelen, mijn haar moest altijd goed zitten.” Kammetje of spaatje. Het is een bijnaam en als je al lang genoeg meeloopt gaan zulke details traditie worden. De keer dat hij echt “het voortouw” moest nemen in de kantine? “Dat was bij Aalsmeer, met het clublied. Bram Landzaat (oud-trainer en speler, inmiddels overleden, red.) had een clublied geschreven en opgenomen in een opnamestudio in Hilversum.” Jan zong de solo, omdat men vond dat hij wel goed kon zingen. Hij vertelt het met een mengeling van nuchterheid en plezier: “Dat was wel grappig.” Zo ontstaat het portret van een man die niet de gangmaker is, maar wel deel uitmaakt van de verhalen. Iemand die het voetbal van binnenuit kent: het ritueel, de humor.

Toupet van Bram Dijkstra
Sommige herinneringen zijn zo specifiek dat ze als een goede film blijven hangen. Jan vertelt over Bram Dijkstra bij v.v. Aalsmeer. “Bram had een toupet en was, zegt Jan, “een gangmaker.” En dan komt het soort kleedkamerhumor dat je alleen in oudere generaties nog zo open hoort vertellen: Bram stond onder de douche “de toupet schoon te maken” en haalde grappen uit die nu waarschijnlijk direct tot gedoe zouden leiden. Ook op het veld: als er een voorzet kwam, “zette hij de toupet af en kopte hij die bal erin.” Jan kan er nog erom lachen, maar je hoort ook dat dit voor hem staat voor iets groters: de sfeer van toen. “Het was zeker niet perfect, niet altijd netjes, maar het had een vanzelfsprekende kameraadschap.” Veel geintjes haalde hij uit… qua sfeer in de kleedkamer was Bram geweldig.” Het zijn verhalen die niet alleen grappig zijn; ze vertellen ook wat Jan later als gemis benoemt: het ongecompliceerde samen zijn. De huidige tijd is soms wat strakker, voorzichtiger, sneller geprikkeld.
Later, wanneer hij het heeft over “blunders,” komt hij in het privé gebied. Hij noemt geen keepersblunder, geen bal die per ongeluk door de handen glipt in een beslissende wedstrijd. “blunders zitten in de privésfeer. “Het kan een blunder zijn dat je je gezin tekort doet… Dat zeker. Dat ging bij mij toch in die tijd hoofdzakelijk allemaal om het spelletje voetbal, de sport en het zelf sporten.” Jan noemt het zelf “egoïstisch misschien,” en hij zegt ook: achteraf had ik het hier en daar anders gedaan.” En dat maakt zijn afscheid bij v.v. Zwanenburg ook groter dan alleen sport/ voetbal.
Selecteren is teleurstellen
Als je Jan vraagt welke lessen hij altijd belangrijk vond, antwoordt hij zoals een trainer antwoordt die niet alleen op tactiek zit, maar op houding. “Eerlijk zijn. Keuzes durven maken en ook mensen teleur kunnen stellen.”
Jan beschrijft het proces van selecteren: “je werkt met dertig tot vijfendertig mensen, je kiest er twaalf of dertien om mee door te gaan. En dan is er altijd de twijfel: had die ander het gered als je meer aandacht had gegeven? Jan erkent het zonder romantiek: “het hoort erbij, en soms valt het verkeerd.” Hij vertelt ook dat er clubs waren waar hij afscheid nam omdat mensen het niet eens waren met zijn keuzes. Dat is de harde kant van het spel: plezier en frictie zitten soms in dezelfde kleedkamer. “Ik was als keeper en trainer ook erg fanatiek. “Te fanatiek” soms. Jan had verwachtingen van anderen die gebaseerd waren op wat hij vroeger van zichzelf vroeg. “Ik kon ontzettend slechts tegen mijn verlies. Eerlijk? Dan was ik moeilijk hanteerbaar. Ik zat dan als eerste in de bus, diep weggedoken. Nee, dan was ik op z’n zachts gezegd niet de vrolijkste.”

Heel veel later, inmiddels een gelouterde trainer, is hij milder geworden, omdat hij beter begreep dat spelers overdag werken, dat afspraken soms botsen met het leven. “Ik vind trouwens nog steeds dat je afspraken moet maken, je hoort er dan te zijn.” Maar hij ziet ook dat de realiteit anders is. Hij noemt gesprekken met trainers zoals AFC-trainer Wessel Colijn. En hij noemt iets wat in voetbal te vaak onder tafel blijft, maar hier open op tafel komt: de frustratie van trainers over afmeldingen, over werk, over veel andere prioriteiten. Jan zegt het heel duidelijk: “Er zijn natuurlijk dingen die zijn belangrijker dan voetbal.” Het is opmerkelijk dat Jan dat zegt, want eerder in het gesprek beschrijft hij juist dat hij zélf vaak voor voetbal koos boven familie. Dat hij nu die zin kan uitspreken, laat zien wat zeventig jaar met iemand doet: je leert. Hij kijkt ook kritisch naar trainers langs de lijn in het profvoetbal – Simeone, Guardiola – met hun drukte, hun gedrag, het spugen, het overdreven coachen. “Daar wordt ik oprecht moe van. En Jan erkent: hij was in zijn beginjaren zelf ook ten dele zo. “In het begin ben je heel fanatiek. Dan probeer je het – overdreven – met de stem.”

Als Jan over regels praat, komt zijn liefde voor het spel boven, maar ook zijn afkeer van trendtaal en overregulering. Hij noemt VAR “verschrikkelijk.” Hij noemt het tijdrekken, het rollen, het liggen. Hij pleit voor oplossingen die het spel sneller en eerlijker maken: zuivere speeltijd, bijvoorbeeld. “Twee keer dertig minuten, maar dan echt spelen.” Jan wijst ook naar hockey: intrappen in plaats van ingooien zoals nu bij het jeugdvoetbal, sneller hervatten, minder dode momenten. En hij wijst naar rugby: verzorging op het veld zonder dat het spel stilligt, maar ook respect en discipline. “Waarom kan dat niet bij het voetbal?” Dan komt het woord waar hij echt op afhaakt: “goalplayer.” De keeper als veldspeler in opbouw, als moderne term. Jan noemt het “flauwekul,” “waanzin,” “onzin.” Je bent keeper, doelverdediger. Punt. “Dan denk ik: dan ben ik net op tijd gestopt, haha.”
Mitch Snijders: “Een fantastische, lieve man. Zo fanatiek als maar kan. Hij heeft mij in mijn korte trainerscarrière enorm geholpen. Een meer dan verdiend voetbalpensioen.”
En dan is er Zwanenburg. De club waar Jan zijn laatste jaren op het veld maakte, waar hij keeperstrainer is, waar hij nu stopt. Hij praat over Zwanenburg met veel waardering. Niet alleen sportief, maar vooral sociaal. “De mensen zijn allemaal vriendelijk. Iedereen is daar gelijk. En dat vind ik wel heel belangrijk.” Hij noemt ook de trainer: Mitch Sneijder “Een jonge trainer met ambitie, iemand die werkt met jongens waar hij mee gespeeld heeft en die toch “de neus één kant op” krijgt”. Jan bewondert dat. “Ze voetballen allemaal met plezier… dat vind ik leuk om te zien.” In de laatste fase van zijn loopbaan speelt ook de overdracht een rol. Jan noemt René Jonker als zijn opvolger. Ze werkten samen bij RKDES en al bij Zwanenburg. “De keepers moeten door, de club moet door. Het ‘werk’ wordt overgenomen, niet achtergelaten.”

Niet achter de geraniums
Wat ga je missen na zeventig jaar? “Dat je gewoon weet dat je twee, drie keer in de week naar de club gaat. Het voetbal was structuur. Een dagindeling. Een verplichting die ook wat houvast gaf. Dat valt weg en dat is wennen. We gaan eerst eens even lekker op vakantie. En daarna: sportschool, fietsen, lopen. Ik ga niet thuis zitten achter de geraniums. Als ik nog iets voor een club kan betekenen, “met name bij Zwanenburg,” dan wil ik dat best.” Maar één ding is duidelijk: hij gaat niet meer op het veld staan. “Het is tijd voor jongere generatie trainers.”
En hij kijkt ook naar wat er weer ruimte krijgt: familie, kleinkinderen, kijken bij zijn kleinzoon die bij RKDES in een vriendenteam speelt. Eén kleinzoon is gestopt en koos voor muziek en zijn carrière; een ander is zestien en speelt dus nog wel. Jan wil daar vaker bij zijn. Als je Jan Prevoo’s voetbalreis samenvat, is het verleidelijk om het te maken tot een lijst: DVVA, Ajax, Blauw-Wit, Aalsmeer, Spakenburg, Hoofddorp, RODA ’23, NFC, OFC, RKDES, Zwanenburg. Maar dat zou hem tekort doen. De rode draad: een man die het spel altijd serieus nam, die discipline en eerlijkheid voorop zette, die soms te fanatiek was maar milder werd, die de gezelligheid waardeerde maar geen kantinegangmaker was, die veranderingen zag en er soms op afhaakte, maar nooit ophield met betrokken zijn. Jan heeft teleurstellingen gekend – Deventer, de dienstplicht die niet meewerkte – en hij heeft hoogtepunten gekend – kampioenschappen, opklimmen met Aalsmeer, jarenlang op het veld staan in verschillende rollen. Hij heeft dingen laten liggen in zijn privéleven omdat het voetbal “door moest gaan.” En nu, op een leeftijd waarop veel mensen allang afscheid hebben genomen, kiest hij bewust voor een andere levensindeling. Die energie op het veld hoort nu bij jongere mensen.

Jan Prevoo stopt na zeventig jaar. Maar wie hem hoort praten, hoort ook dat het voetbal hem niet loslaat – niet als nostalgie, maar als onderdeel van wie hij is. Hij zal langs de lijn staan bij oude clubs als DVVA, bij trainers die hij kent, bij zijn kleinzoon op zaterdag die voetbalt in Kudelstaart. Hij zal misschien nog mopperen op tijdrekken, op het woord “goalplayer.” En hij zal, zonder het groots te willen maken, iets achterlaten wat in het amateurvoetbal steeds zeldzamer wordt: een leven lang ervaring met verhalen, gewoontes, afspraken en een diepe overtuiging dat voetbal uiteindelijk draait om mensen. “Dat is misschien wel het meest dierbare moment van allemaal. Het besef dat je zeventig jaar lang onderdeel mocht zijn van iets dat groter is dan jijzelf en dat ik op tijd stop om het door te geven. Wensen? Niet echt meer, maar ik hoop stiekem en van harte dat mijn zoon Rob op zijn beslissing om te stoppen terugkomt. Te jong om er een punt achter te zetten. Hij had zoveel mogelijkheden, bijzonder jammer.”
Foto’s: Privé collectie Jan Prevoo
Foto’s: Koos van der Leest
Foto’s: Jos Spitteler
Het Amsterdamsche Voetbal Doelgericht