Achter de schermen bij JOS/Watergraafsmeer O23 met Gerry Van Guine en Richmond Bossman. ,,Natuurlijk wil je winnen. Maar de ontwikkeling van een speler vinden wij veel mooier om te zien.’
Gerry van Guine – gevormd door omwegen, gedreven door eerlijkheid
Gerry van Guine is tegenwoordig staflid van JOS Watergraafsmeer O23, maar wie met hem praat, hoort geen trainer die over schema’s, formaties of resultaten spreekt. Zijn verhaal is er één van aanpassen, incasseren en opnieuw kiezen. Een eigen loopbaan langs profvelden en amateurs, langs blessures en kampioenschappen, maar vooral langs levenslessen die hij vandaag de dag doorgeeft aan zijn jonge spelers.
We zitten in het clubhuis, koffie op tafel, de typische geur van de volksclub kantine en voetbalkleding die in elk ouder voetbalgebouw dezelfde is. Gerry leunt achterover en herhaalt de eerste vraag alsof hij hem even wil laten landen.

“Welke periode mij het meest gevormd heeft? Niet eens een club…”. Hij steekt van wal: “Het feit dat ik toen vijftien was, dat wij vanuit Amsterdam weg gingen naar Lelystad.” Niet omdat hij dat wilde, maar omdat het nodig was. Het huis was te klein, zijn moeder nam een besluit. Achteraf noemt hij het een goede stap. “Een jongen van vijftien in Amsterdam moet zijn weg maar zien te vinden,” zegt hij nuchter. In Lelystad kwam hij in een andere omgeving terecht, met andere mensen, een andere dynamiek. Toch bleef hij trouw aan zijn roots: twee keer per week heen en weer naar KBV (Kampioen Bij Volharding, red.), de vereniging waar hij vanaf zijn vijfde speelde en waar hij als zestienjarige al tegen het eerste elftal aanzat. Dat pendelen – discipline vóór comfort – typeert zijn hele loopbaan. Op een gegeven moment trok zijn moeder een grens. “Mijn moeder zei: dit is genoeg, dit heen en weer reizen. Je gaat maar lekker hier een voetbalclub zoeken. Toen ben ik bij SV Lelystad ’67 gaan voetballen. En dat bleek weer een goed besluit,” zegt hij, “dat ik denk van: ja, dit is misschien wel de beste keuze ooit geweest.”
Tegenslag
Via SV Lelystad en een sterke periode waarin kampioenschappen elkaar opvolgden, diende zijn eerste profavontuur zich aan bij Go Ahead Eagles. Het contract was nog maar net getekend of Ajax-scout Ton Pronk belde. Te laat. Gerry is, zoals hij zelf zegt, “een man van zijn woord”. “Het grappige is dat toen wij afgelopen zaterdag 3 januari bij de nieuwjaarsreceptie waren, stond zijn zoon daar ineens……Robin Pronk.” Tegenwoordig is Pronk, met roots bij FC Abcoude, Hoofd jeugdopleiding bij FC Utrecht.
Het liep uiteindelijk anders dan gehoopt voor Van Guine. Op 7 juli 1991, zijn tweede voorbereiding dag als profspeler, scheurde hij zijn kruisband. ,,Meniscus beschadigd, knie volledig kapot. Driekwart jaar eruit.” Een mokerslag voor de jonge voetballer die net dacht dat alles op zijn plek viel. Toch zette hij door. Na Go Ahead Eagles keerde hij kort terug naar de regio, om vervolgens zijn weg te vervolgen naar Heracles Almelo. Daar speelde hij in een karaktervolle groep, met ervaren profs als Hendrie Krüzen, Volkert Velten én een duidelijke hiërarchie. Gerry glimlacht. “Velten, nooit op zondag. Prachtige kerel.” Opnieuw sloeg het noodlot toe: medische problemen, een klaplong, operaties. “Je speelt door, tot het echt niet meer gaat.” Heracles wilde hem desondanks houden. Eén voorwaarde: hij moest daar komen wonen. “Dat wilde ik ook best wel. Alleen, ik moest alles zelf regelen.” Geen woning, geen basis, geen rust. “Toen dacht ik: dat gaat het niet worden.”
Telstar
Zijn profloopbaan sloot hij af bij Telstar. Een jaar dat hij met warmte herinnert. “Niet omdat het voetbal spectaculair was, maar vanwege de mensen. Toen was Telstar nog echt een vechtploeg. Zorgen dat je niet verliest.” Bij Telstar trof hij Cor Pot als trainer-coach, “een hele vriendelijke kerel. Levensgenieter.” Gerry lacht om de herinneringen en spreekt met respect over de club die zich later zo knap heeft ontwikkeld. “Geen glamour, wel harde realiteit. Telstar is toch blijven bestaan, HFC Haarlem is bijvoorbeeld wel verdwenen. Als je ziet waar Telstar nu staat, dat is gewoon klasse.”
Daarna volgden de amateurs: FC Omniworld (Almere City FC/ Zwarte Schapen/ FC Flevoland), Elinkwijk, Türkiyemspor, Blauw-Wit, asv De Dijk. Tot zijn 38e, met een symbolisch afscheid tegen Ajax in de Arena. “De scheidsrechter, Maurice de Hond, gaf mij – op eigen verzoek – rood. Ik liep het veld af, bedankte mijn trainers en stopte. Voor mij was het rond.”
Bagage
Trainer werd hij bijna vanzelf. Gestimuleerd door hoofdtrainer Ulrich Landvreugd bij asv De Dijk. “Als je het helemaal goed wilt doen met alles erbij, dan kost dat tijd. En die tijd had ik niet altijd met mijn baan, een gezin et cetera.” Wat hij wel had, was ervaring. En principes. De belangrijkste les uit zijn profverleden: eerlijkheid. “Ik kan niet tegen onrecht. Als je iemand niet opstelt, leg het uit. Je doet het niet met elf, maar met een hele groep.” Iedereen moet voetballen maar iedereen moet zich vooral gezien voelen. Dat is geen softheid, maar overtuiging. Het is een filosofie die je niet in een tactiekboek vindt. Het gaat niet over 1-4-3-3 of 1-3-5-2, maar over hoe je met 25 jongens omgaat, inclusief de jongens die niet spelen. Je doet het niet alleen met de basis.”

Opleiden
Bij JOS/Watergraafsmeer O23 ziet hij spelers groeien. Jongens die blijven, zich ontwikkelen, de stap maken. Kampioen worden en promoveren is mooi, maar het raakt hem meer als een speler van ‘een zes naar een negen’ gaat. “Daar doe ik het voor.” Als ik jongens zie die vanaf het begin met mij zijn… en ik zie die ontwikkeling,” zegt hij, “en dan ook nog een keer ‘bedankt’ terugkrijgen na een training of wedstrijd… dat is geweldig.” Samen met collega Richmond Bossman vormt hij een hecht duo. Beslissingen worden samen genomen, trainingen samen voorbereid. Er is een natuurlijke chemie. “We weten met een half woord wat we aan elkaar hebben. We hebben video-analyse – “helemaal te gek” – en een manier van werken waarin spelers weten wat er gevraagd wordt. Soms doet de één de training, dan de ander, maar altijd vanuit dezelfde basis: hoe we willen voetballen.” En formaties? Daar haalt Gerry zijn schouders over op: 1-3-5-2 of 1-4-3-3 – het zijn op papier cijfers in een systeem. “Het gaat erom hoe de spelers zelf het invullen in de wedstrijd.” De echte waarde zit in spelers die het spel lezen. Gerry noemt types als Hendrie Krüzen en Alfons Arts maar ook voormalig JOS/Watergraafsmeer- en Ajax trainer Sander Middelbeek: spelers die in het veld oplossingen zoeken zonder dat de trainer het eerst hoeft te tekenen.

Het kantelpunt
De O23-leeftijd is ‘lastig’. Ben je dan nog talent of een seniorenspeler? Blijven in een jeugdig elftal of moet je door? Gerry is daar helder in: “rond je twintigste moet je eigenlijk doorstromen. Lukt dat niet, dan moet je eerlijk zijn. Dan maak ik op een gegeven moment plaats voor de volgende.” Pijnlijk soms, maar noodzakelijk. Wat spelers absoluut nodig hebben? “Discipline. Mentaliteit. De wil om offers te brengen. Iedereen kan wel een bal van A naar B spelen. Maar niet iedereen wil er alles voor doen.” Hij vertelt het met het voorbeeld van zijn eigen jeugd: twee keer per week reizen vanuit Lelystad, omdat hij beter wilde worden. “Dan hoor ik in de huidige tijd bij de jeugd: ‘Trainer, ik kan niet komen, mijn vader kan me niet brengen.’ Dan denk ik: pak de fiets, de metro of begin maar met rennen, dan kom je er ook.”
Als hij het heeft over inspiratie, noemt hij meerdere trainers. Henk ten Cate (in zijn woorden: iemand die hem binnenhaalde bij Go Ahead) krijgt een plek van grote dankbaarheid. Maar de grootste indruk komt uit zijn jeugd: meneer Rob Spigt. “Je mocht nooit Rob tegen hem zeggen. Of je noemt me meneer Spigt of je zegt trainer.” Het is bijna ouderwets streng. “Spigt stond voor normen: op tijd komen, netjes gedragen en vooral niet reageren op provocaties. “Niet een actie op een reactie.”
En dan volgt een zin die de tijdgeest en de context blootlegt. “Wij als kleurlingen hadden het soms best moeilijk. Soms werden we uitgescholden…” De les van Spigt was dus niet alleen sportief, maar maatschappelijk: hoe je overeind blijft, hoe je je niet laat wegtrekken in conflict, hoe je beheerst blijft in een omgeving die je soms expres wil laten ontploffen. Dat is ook coaching, op karaktervorming.”
Blik vooruit
In de nieuwe eerste divisie voor O23-teams verwacht Gerry geen wondervoetballers, maar vooral beter georganiseerde teams. Negentig minuten scherpte. Vasthouden aan principes, maar ook nederig durven zijn. “Soms lager spelen, soms aanpassen. Voetbalintelligentie gebruiken.” En staat er een nieuwe Van Guine of een nieuwe Bossman op? “Ze lopen er. Ze weten het alleen zelf nog niet. Jongens met talent, maar ook met honger.” En als het aan Gerry ligt, blijven ze niet te lang hangen. “Die moeten door. Altijd door.” Maar de praktijk is soms ook weerbarstig. Gerry noemt een paar recentere voorbeelden: “Benis Fazili, nu soms al basisspeler bij het eerste. Die kwam uit de O23 en moest op een gegeven moment ‘nu wel doorpakken’. Max Aupers is ook een jongen die eraan komt. Hij zat al een keer bij de selectie. Jason Sumter kwam uit onze vorige O23-lichting en speelt inmiddels, na een goed seizoen in het eerste, bij Sparta Nijkerk in de derde divisie.
Het klinkt misschien heel hard, maar het is de logica van doorstroming: als iemand te lang blijft hangen, blokkeert hij ook een volgende lichting.” Zo blijft hij wat hij altijd is geweest: gevormd door omwegen, loyaal aan zijn woord en overtuigd van eerlijkheid – in het leven en in het voetbal.
Van mini’s tot eerste divisie: Richmond Bossman over groei, geduld en ambitie
Trainer/coach Richmond Bossman, samen met Van Guine verantwoordelijk voor de ploeg, kijkt met trots terug op het kampioenschap én vooruit naar een uitdagend nieuw niveau.
Bossmans trainersloopbaan begon overigens niet vanuit een uitgestippeld plan. Integendeel. “Toen ik zelf profvoetballer was, en zelfs daarna in mijn eerste jaren bij JOS/Watergraafsmeer, heb ik nooit gedacht aan het trainerschap. Ik vond het niet eens leuk,” vertelt hij open. Toch veranderde dat perspectief langzaam. Al vóór het behalen van zijn officiële trainingsdiploma in 2015 (destijds UEFA B/ nu VC 3, red.) was hij actief bij de mini’s. “Tom Verhoek begon daarmee en als hij bijvoorbeeld op vakantie was nam ik het over. Zo ben ik er eigenlijk ingerold.” Die periode bleek cruciaal. “De mini’s zijn een lastige leeftijd, maar daar begon mijn liefde voor het trainerschap. Je merkt daar al snel of je spelers kunt motiveren en enthousiasmeren.” Bossman haalde snel zijn diploma en ontdekte gaandeweg dat hij hetzelfde gevoel terugkreeg als vroeger op het veld. “Wat ik had met voetballen, heb ik nu met trainen. Dat had ik nooit verwacht.”

Beter worden
Hoewel het kampioenschap en de promotie naar de eerste divisie tastbare successen zijn, ligt voor Bossman de echte voldoening elders. “Ook bij mij niet het winnen, maar het groeien van spelers. Dat je ziet dat jouw manier van werken werkt, dat jongens beter worden.” Met duizenden trainers in Nederland is iedere aanpak anders, benadrukt hij. “Mijn manier, samen met die van Gerry, werkt. Dat merkte ik al vanaf de mini’s.” Die aanpak werd dit seizoen toch nog stevig op de proef gesteld. De O23-groep kampte met blessures, vertrekkende spelers, ontevredenheid en persoonlijke problemen, met name bij jongens die het thuis niet altijd makkelijk hebben. “We begonnen met 23-24 spelers en stonden soms met twaalf man op het veld, in het begin nog maar half fit. Toch hebben we de ploeg bij elkaar gehouden.”
Geluk
Het kampioenschap kwam uiteindelijk op een bijna filmische manier tot stand. JOS/Watergraafsmeer had het niet meer in eigen hand en speelde vooral om te zien of concurrenten zouden struikelen. “We stonden drie punten achter met nog twee wedstrijden te gaan. Zij verloren, wij wonnen, en ineens gingen we er weer overheen. Dat was ook geluk, eerlijk is eerlijk.” Tegelijkertijd keerden enkele sterkhouders terug, wat het verschil maakte in de beslissende fase.
Volgens Bossman zijn meerdere spelers klaar voor de stap richting het eerste elftal. “Honderd procent.” Toch is hij realistisch. “Het leven van een O23-elftal is geduld hebben. Je kunt niet zomaar spelers van het eerste wegsturen.” Namen als Naoufal El Harmouz – afkomstig van Telstar – noemt hij expliciet als spelers die het niveau zijn ontgroeid. “Met Richard Plug heb ik besproken dat hij eigenlijk moet gaan aanhaken bij het eerste.” De doorstroming van de jeugdige spelers blijft echter grillig, vooral mede door privéomstandigheden. “Aan het begin van het seizoen deden al vijf jongens mee met het eerste, maar dat is niet gelukt. Nu staan er straks weer vijf volgende klaar.”

Nadenken
Over het niveauverschil met de eerste divisie is Bossman helder. “In de tweede divisie wonnen we soms met 6-1 of 8-1 als iedereen fit was. Dat gaat in de eerste divisie niet gebeuren. Daar zijn teams als geheel beter en draait het om details.” Als tacticus ziet hij daarin zijn rol. “Als de jongens luisteren naar het plan, komt het goed. Dat is soms lastig bij gasten van 19, 20, 21 jaar. Die denken het beter te weten.” Bossman gebruikt zijn eigen carrière dan als referentie. “Als ik zeg dat ik op hun leeftijd al dertig wedstrijden in het betaalde voetbal had gespeeld, dan gaan ze toch even nadenken.”
Hoewel de principes hetzelfde blijven, wordt de context professioneler. “We gaan nu met een spelersbus naar verre uitwedstrijden. Dat was eerder hartstikke ondenkbaar.” Niet iedereen binnen de club is daar blij mee, geeft hij lachend toe. “De penningmeester zeker niet.” Dat raakt aan een bredere realiteit: JOS/Watergraafsmeer is een warme, Amsterdamse club zonder heel uitgesproken prestatiedrang. “Ze vinden gezelligheid belangrijk. Toen het eerste in het verleden derde divisie speelde, was de vereniging er eigenlijk niet klaar voor.” Die spanning tussen ambitie en clubcultuur blijft bestaan. “Onze ambitie, die van Gerry en mij, is soms wat groter dan die van de vereniging. Soms moet je inschikken. Maar dat ís JOS/Watergraafsmeer.” Na veertien, vijftien seizoenen bij JOS is Bossman er namelijk nog steeds. “Niet voor niets. Dat kleine, warme, Amsterdamse. Die bluf. Dat heeft wat.” Zijn persoonlijke toekomst ligt voorlopig bij de jeugd. “Geen senioren voor nu. Over tien jaar misschien. Mijn droom is de O23, of bij een BVO: Onder 19, Onder 21.” Met de promotie van JOS/Watergraafsmeer O23-1 naar de eerste divisie is in elk geval één ding duidelijk: de volgende stap is gezet. Niet alleen voor het team, maar ook voor een trainer die zichzelf ooit nooit langs de lijn zag staan en er nu niet meer weg te denken is.
JOS/Watergraafsmeer O23 start in de eerste divisie op zaterdag 17 januari 2026 met een uitduel tegen Quick ’20. In Oldenzaal wordt om 12.30 uur afgetrapt.
Foto’s: Mario Wormhoudt
Het Amsterdamsche Voetbal Doelgericht