Foto: Jeroen Otten

Böke, Hoppenbrouwer en Strating over de veranderde amateurwereld | ‘Je kunt twee dingen doen: je harnas aantrekken óf meegaan met de realiteit’

De visie van Mozes Hoppenbrouwer (WV-HEDW), Murat Böke (AGB) en Michel Strating (v.v. Amstelveen)

Vakanties buiten het hoogseizoen, Lowlands, ADE, bruiloften, weekendjes weg en in de winter nog even de ski’s onderbinden. De amateurvoetballer van 2026 plant zijn leven niet meer vanzelfsprekend rond het voetbalseizoen. Trainers kunnen daar streng tegen optreden, maar weten ook: wie de deur te hard dichtgooit, kan zomaar een speler kwijtraken. Grote selecties moeten het probleem opvangen. Maar maken die het misschien tegelijkertijd makkelijker om af te zeggen? Met nog ruim een week verwijderd van het competitieseizoen spreken we met drie trainers die deze zomer bij een nieuwe club begonnen: Mozes Hoppenbrouwer, Murat Böke en Michel Strating. Over het nieuwe normaal, grenzen stellen, meebewegen en die ene hardnekkige KNVB-regel die nog altijd niet is veranderd: er mogen er maar elf tegelijk spelen.

Er was een tijd dat een amateurvoetballer zijn vakantie plande zodra het competitieprogramma bekend was. In juni en juli mocht je naar Spanje, Frankrijk of desnoods drie weken op een luchtbed aan het Gardameer liggen. Maar wanneer de trainer begin augustus op zijn fluit blies, stond je paraat. Het liefst gebruind. En vooral: fit. Wie één of twee weken later kwam binnenwandelen, had iets uit te leggen.

Anno 2026 kan een trainer zijn voorbereiding bijna net zo goed beginnen met een agenda-app, een festivalprogramma en de schoolvakanties van verschillende regio’s naast zich. De een is nog in Frankrijk, de ander in Marokko. Een volgende heeft Lowlands, een bruiloft of een lang weekend gepland. En als iedereen in september eindelijk binnen is, ligt januari alweer op de loer.

Wintersport.

Welkom bij het amateurvoetbal van nu. Was vroeger alles beter? Zeker niet. Maar overzichtelijker was het misschien wel.

Drie trainers, drie nieuwe kleedkamers

Drie trainers, drie nieuwe verenigingen en daarmee ook drie mannen die deze zomer met een betrekkelijk schone lei aan hun klus begonnen. Juist daarom zijn Mozes Hoppenbrouwer, Murat Böke en Michel Strating interessant om de veranderende mores in het amateurvoetbal aan voor te leggen. Ze erfden niet alleen een spelersgroep, maar kregen er meteen tientallen agenda’s, vakantieplanningen, festivalkaartjes en andere privéverplichtingen bij.

Met zijn 31 jaar is Mozes Hoppenbrouwer de jongste van het drietal. Hij werd deze zomer hoofdtrainer van de zondagselectie van WV-HEDW, die na het kampioenschap terugkeerde in de tweede klasse. Hoppenbrouwer volgde Joram Melis op en kwam over van s.v. Houten. Daarvoor deed hij trainerservaring op bij onder meer Hooglanderveen, Roda ’46 en in de jeugdopleiding van Go Ahead Eagles. Als voetballer kent hij bovendien zelf de kleedkamer van binnenuit. Hij speelde jarenlang bij Roda ’46, kwam uit voor Hooglanderveen en voetbalt, wanneer zijn trainersagenda het toestaat, zelf nog altijd graag een potje bij SEC in Soest. „Trainer zijn gaat gewoon op één. Maar waar ik het kan combineren, wil ik het graag combineren. Uiteindelijk is zelf voetballen het allerleukste wat er is.”

Murat Böke nam deze zomer de zondagselectie van AGB onder zijn hoede. De Amsterdamse club degradeerde afgelopen seizoen uit de tweede klasse en koos daarna voor een nieuwe koers, waarin niet alleen prestaties van het eerste elftal maar ook de eigen jeugdopleiding nadrukkelijker centraal moet komen te staan. Böke is bepaald geen onbekende in het regionale voetbal. Hij heeft een lange staat van dienst in het Amsterdamse en Haarlemse amateurvoetbal, zowel als speler als trainer. Voor zijn komst naar Sportpark Ookmeer werkte hij bij RKVV Velsen, waar hij al uitgebreid kennismaakte met een fenomeen dat iedere trainer inmiddels in zijn jaarplanning kan opnemen: de wintersport. In januari, februari en maart zag hij spelers voor een week vertrekken en zelfs skileraars die maanden in de sneeuw verbleven. Bij AGB is de uitdaging voorlopig anders: Böke begon met een selectie van ruim veertig spelers en zag een flink aantal daarvan pas laat terugkeren van langdurige vakanties in het buitenland.

De meest ervaren trainer-coach van het drietal is Michel Strating. De bijna veertiger begon al rond zijn achttiende als trainer en rekent inmiddels uit dat hij ongeveer 22 jaar in het vak zit. „Het is een leuk vak, maar het is wel time-consuming”, stelt hij droogjes vast. Strating speelde zelf in de opleiding van de Zwarte Schapen, het huidige Almere City FC, en werkte als trainer onder meer bij CSW, FC Breukelen, SV Nieuwkoop en HSV De Zuidvogels. Voetbal zit bovendien nadrukkelijk in de familie: Strating is het neefje van ‘oom’ Ton Ooijers, de markante oud-trainer die jarenlang een bekend gezicht was in het Amsterdamse en regionale amateurvoetbal. De scherpe Amsterdamse tong en de neiging om niet al te lang om een boodschap heen te draaien, lijken in ieder geval in de familie te zitten. Strating zegt zelf ook dat hij zaken soms wat gechargeerd brengt, maar vooral duidelijk wil zijn. Voor de start van het seizoen 2026-2027 tekende hij voor twee jaar bij VV Amstelveen, dat bij zijn aanstelling nog onder de sponsornaam Amstelveen Heemraad naar buiten trad. Na een turbulent vorig seizoen vertrok een aanzienlijk deel van de selectie en kon Strating min of meer opnieuw beginnen. Inmiddels staan er 41 spelers op zijn lijst. Dat biedt keuze, maar levert hem tegelijkertijd een tweede baan op als uitlegger van basisplaatsen, reservebeurten en de eeuwige vraag waarom speler nummer 27 zichzelf toch echt bij de beste elf vindt horen.

Hoppenbrouwer vertegenwoordigt daarbij bijna de generatie waarover oudere trainers soms mopperen, Böke heeft voldoende kilometers gemaakt om de veranderingen van dichtbij te hebben meegemaakt en Strating zit er qua leeftijd mooi tussenin. Hun toon verschilt, hun probleem nauwelijks. Want zodra een trainer tegenwoordig in augustus zijn pionnen neerzet, blijkt één ding al snel: de lastigste opstelling van het seizoen wordt soms niet op het tactiekbord gemaakt, maar in de groepsapp.

Lowlands of linksback?

Mozes Hoppenbrouwer maakte deze voorbereiding bij WV-HEDW al snel kennis met het verschijnsel. Een behoorlijk deel van zijn groep ging naar Lowlands. Dat leverde hem een oefenwedstrijd op waarin zijn ploeg behoorlijk gehavend voor de dag kwam. Hoppenbrouwer kan daar twee dingen mee doen. Verbieden of accepteren. Hij kiest voor het tweede, maar wel met voorwaarden „Ik snap dat sommige jongens echt de hele zomer uit de naad werken en zoiets als een soort vakantie zien. Maar ik heb ze wel aangegeven: mocht jouw concurrent het beter doen in jouw afwezigheid, dan gaat hij gewoon spelen de week erop. Het is jouw keuze dat je gaat. Ik wens je alle plezier toe en al het geluk toe. Maar speelt jouw concurrent de sterren van de hemel, dan moet je daarna niet komen vragen waarom je niet speelt.”

Daarmee raakt hij misschien precies de kern van het moderne trainersvak. Een coach kan niet langer bepalen wat een speler buiten de lijnen doet. Hij kan wél bepalen welke consequenties een keuze binnen de lijnen heeft. Hoppenbrouwer rekent zich nog tot een generatie die het anders gewend was. „Je durfde niet eens weg tijdens het seizoen. Je zorgde dat je alles in de zomer had gedaan. Wetende dat het duurder zou zijn en superdruk op de vakantieplekken. Maar je kwam gewoon altijd op tijd aan. En ook nog fit.”

Nu spelen andere factoren mee. Relaties, vakanties, wintersport en een sociaal leven dat zich weinig aantrekt van het wedstrijdprogramma. Zijn conclusie is niet dat de huidige voetballer daarom maar deugt voor geen meter. Wel dat de trainer moet veranderen.

‘We leven eenmaal in 2026’

Bij WV-HEDW heeft Hoppenbrouwer bovendien een luxe die hem helpt. Zijn selectie is breed én volgens hem kwalitatief sterk. Op vrijwel iedere positie bestaat serieuze concurrentie. Daardoor wordt een waarschuwing geen loos dreigement.

„Als mijn ene spits het niet presteert, durf ik het makkelijker aan om de andere spits erin te zetten. Het niveau ligt gewoon heel dicht bij elkaar.” Dat is essentieel. Want zeggen dat iemand zijn basisplaats kan verliezen is één ding. Het daadwerkelijk doen wanneer de vervanger aantoonbaar minder is, is iets anders. Voetballers kennen hun positie in de pikorde doorgaans zelf ook uitstekend. De onbetwiste basisspeler die een weekend weggaat, maakt soms een gecalculeerde gok: één wedstrijd bank en daarna zien we wel weer.

Hoppenbrouwer wil juist voorkomen dat afspraken vrijblijvend worden. Maar hij wil evenmin terug naar het militaire regime. Een speler van WV-HEDW gaat bijvoorbeeld op wereldreis. Hoppenbrouwer vindt dat jammer, zeker omdat hij hem kwalitatief hoog inschat. Toch blijft de deur open. „Je kan twee dingen doen. Je kan er militair ingaan: je gaat niet en je hoeft niet meer terug te komen. Dan weet je dat je jezelf in het harnas werkt ten opzichte van de groep en die jongen zelf. Of je denkt met zo’n jongen mee: oké, je gaat op wereldreis. Hou jezelf fit waar het kan. Geniet ervan. Als hij terugkomt, komt hij gewoon weer lekker terug bij de selectie.” Dat betekent niet dat alles mag. De afspraken zijn vooraf gemaakt. Zwart op wit. Wie vervolgens een training overslaat of een keuze maakt, kent de mogelijke sportieve gevolgen. Hoppenbrouwer vat het treffend samen: „We moeten wel meegaan in de realiteit waar we in zitten. We kunnen ons harnas aantrekken als trainers, of kijken en denken in oplossingen.”

Van de zon rechtstreeks naar de conditietrainer

Bij v.v. AGB liep Murat Böke deze zomer tegen een ander fenomeen aan. Niet zozeer festivals, maar vakanties. Veel spelers verbleven langdurig in zuidelijk gelegen landen en keerden pas laat terug. Zes weken weg is dan geen uitzondering. En zes weken vakantie blijkt niet (altijd) hetzelfde als zes weken individueel trainingsprogramma.

Böke kan er inmiddels om lachen. „Een heleboel zijn vorige week teruggekeerd. Ik maak er een flauwe grap van, maar het lijkt wel of ze hier geen eten kregen.” De trainer zag verschillende spelers naar eigen zeggen zwaarder terugkeren. „Ze hebben vijf, zes weken niks gedaan. Alleen maar gegeten en gedronken. Met wat kilootjes erbij en geen conditie. Dus ze moeten flink aan de bak om weer conditie te krijgen.” Voor een trainer die in augustus zijn ploeg tactisch wil vormen, is dat lastig. Waar je het liefst patronen inslijpt, druk-zetten organiseert en automatismen ontwikkelt, ben je eerst bezig spelers fysiek weer op hetzelfde vertrekpunt te krijgen. Alsof je een Formule 1-team wilt bouwen, maar drie auto’s nog ergens op een camping in Zuid-Frankrijk staan. Toch heeft Böke bij AGB een voordeel: hij beschikt over aantallen. Veel aantallen zelfs.

42 spelers en maar elf plekken

Böke kwam bij het inventariseren van zijn selectie uit op 42 spelers voor grofweg tweeënhalf elftal. „Dat is iets aan de hoge kant.” Een understatement mag ook. Maar die grote groep heeft een functie. Gedurende een seizoen vallen spelers weg door blessures, werk, vakanties en andere verplichtingen. Daarnaast voorziet Böke teleurstelling zodra duidelijk wordt wie wel en niet bij het eerste elftal hoort. En daar ziet hij eveneens een verandering.

„Als de trainer mij vroeger van het elftal zou ‘wegsturen’ naar het tweede, was ik al bang dat hij me niet meer nodig had. Tegenwoordig is het sneller: ik voetbal toch niet, dan gaan we wel iets anders doen.” Daarna komt Böke met misschien wel de simpelste analyse van het hele probleem. „We hebben alleen van de KNVB een regel dat je er maar elf kan opstellen. Degenen die je niet opstelt, moeten op de bank zitten. Dat is heel moeilijk te verteren bij de huidige generatie spelers.”

Die regel blijkt inderdaad hardnekkig. Elf spelers. Ook in 2026. En dus zijn grote selecties tegelijkertijd oplossing én probleem. Ze geven trainers mogelijkheden wanneer spelers ontbreken. Maar voor de voetballer kan dezelfde breedte onbewust het gevoel creëren dat zijn afwezigheid wel kan worden opgevangen. Er zijn toch genoeg anderen.

‘Trainer, ik heb een bruiloft’

Michel Strating kent dat spanningsveld eveneens. Bij VV Amstelveen beschikt hij over 41 spelers. Na een roerige periode bij de club vertrokken veel spelers en werd feitelijk opnieuw gebouwd. Strating is enthousiast over zijn nieuwe omgeving en de energie in de groep, maar merkt ook hoeveel management een grote selectie vraagt. Want 41 spelers betekent niet alleen 41 paar voetbalschoenen. Het betekent ook 41 meningen.

„Jongens die in het tweede spelen, hebben vaak veel vragen. Die snappen vaak niet waarom ze in het tweede staan. Of hebben een andere mening. Dat moet je allemaal uitleggen.” En dan zijn er nog de agenda’s. Strating kan vooraf afspraken maken wat hij wil, maar de praktijk wint het uiteindelijk regelmatig van het papier. „In de eerste twee weken had ik al een jongen die naar me toe kwam en zei: ik heb een bruiloft. Dus ja, ik ben er niet.”

Wat moet een trainer dan? De bruiloft verbieden? „Wat moet ik dan zeggen? Dat moet je doen, man.” Maar ook bij Strating betekent begrip niet automatisch dat een speler daarna op zaterdag zijn vertrouwde shirt uit de kast kan trekken. „Het enige wat je kan doen als trainer is blijven aangeven dat er niet veel beweegruimte is. Je hebt een grote selectie als afvang en hoopt dat het niveau redelijk dicht bij elkaar zit.” Wie ontbreekt, geeft een ander een kans. En die ander kan dan zomaar blijven staan.

Het dunne lijntje van de trainer

Daar zit meteen het ingewikkeldste gedeelte. Hoe streng kun je zijn? Strating is duidelijk: in het amateurvoetbal kun je principieel op je strepen gaan staan, maar als je iedere overtreding van een afspraak maximaal bestraft, bestaat het risico dat een speler eenvoudig vertrekt. „Je kan heel erg op je strepen gaan staan. Maar dan gaan ze weg. Uiteindelijk sta je dan met lege handen. Het is een heel dun lijntje tegenwoordig. Die jongens schrijven zich vrij makkelijk over, ze stoppen ermee of gaan wat anders doen. De echte bereidheid om echt nog het spelletje aan te willen gaan, is door de jaren heen wel stukken minder geworden.”

Ook de binding met clubs is volgens Strating veranderd. Waar spelers vroeger jarenlang bij dezelfde vereniging bleven, zijn overstappen veel normaler geworden. Daar kun je nostalgisch over doen. Je kunt ook constateren dat de maatschappij veranderd is en het amateurvoetbal vrolijk mee verandert. Werk is flexibeler. Reizen is gemakkelijker. Een stedentrip is met drie klikken geboekt. Festivals zijn onderdeel van de sociale agenda. Wintersport is niet langer automatisch iets voor de zomerstop – al was skiën in juli sowieso al wat ingewikkeld. Voetbal concurreert simpelweg met veel meer.

Was vroeger alles beter? Nee. aar alle drie de trainers herkennen wel een verschuiving. Hoppenbrouwer vertelt over de generatie waarin je simpelweg zorgde dat je aan het begin van de voorbereiding terug was. Böke herinnert zich dat hij vroeger bang was zijn plaats kwijt te raken wanneer hij ontbrak. Strating kent uit zijn eigen jeugdopleiding een veel hardere cultuur. „Dat was gewoon kiezelhard. Daar zat geen ruimte tussen. Dit is het, zorg dat je op tijd bent als het seizoen gaat starten begin augustus.” Wie niet op de afgesproken datum verscheen, had een probleem. „Dan kijk je je jongens nu aan en zeggen ze: trainer, ben je wel goed bij je hoofd? Maar dan ga je terug naar 1998, 1999. De tijd was gewoon anders.” En precies daar ligt misschien het antwoord. Vroeger was niet noodzakelijk beter. Nu is niet noodzakelijk slechter. Het is anders.

De trainer die verlangt dat 18-22 amateurvoetballers negen maanden lang hun volledige privéleven rond zijn trainingsschema organiseren, zal vaak teleurgesteld raken. De trainer die alles accepteert omdat spelers anders misschien vertrekken, kan zijn ambities waarschijnlijk eveneens bijstellen. De kunst zit ertussenin.

Meebewegen zonder om te vallen

De moderne (Amsterdamse) amateurtrainer moet daarom misschien méér manager zijn dan ooit. Hij moet begrijpen waarom iemand weggaat, zonder automatisch akkoord te gaan met de sportieve consequenties. Hij moet ruimte geven, maar grenzen bewaken. Hij moet rekening houden met werk, relaties, vakanties en festivals, maar tegelijkertijd een topsportmentaliteit proberen te creëren binnen een omgeving die per definitie geen topsport is. En hij moet vooral communiceren. Hoppenbrouwer doet dat door vooraf helder te zeggen: ga gerust, maar jouw concurrent kan je plek overnemen. Böke weet dat zijn enorme groep vanzelf kleiner kan worden wanneer teleurgestelde spelers afhaken. Strating gebruikt zijn brede selectie juist als vangnet én als prikkel: wie er niet is, loopt het risico dat iemand anders zijn kans grijpt. Drie trainers. Drie nieuwe clubs. Drie verschillende selecties. Maar hetzelfde probleem.

Of misschien moeten we het geen probleem meer noemen. Het is het nieuwe normaal. Zaterdag 19 september begint de competitie en vanaf dat moment telt de uitslag. Dan wil iedere trainer zijn beste elf op het veld hebben. Mits die natuurlijk niet op een nieuw festival staan. Of op een bruiloft. Of later in het seizoen in de skilift.

Misschien mag de speler óók een beetje meebewegen?

Toch dreigt in alle begrip voor de moderne voetballer iets merkwaardigs te ontstaan. De trainer moet tegenwoordig namelijk ongeveer overal begrip voor hebben. Een vakantie? Natuurlijk. Een festival? Geniet ervan. Een bruiloft? Veel plezier. Een weekendje weg met de vriendin? De liefde moet ook onderhouden worden. Wintersport? Doe voorzichtig met die knieën. Werk? Uiteraard belangrijker. Een pijntje? Neem rust. En wanneer de trainer vervolgens op zaterdag zegt dat iemand reserve staat, blijkt begrip ineens een stuk minder wederkerig.

Dan volgt soms het appje.

Trainer, ik snap het niet.

Het is een fascinerend verschijnsel. De speler mag zijn agenda volledig zelf beheren, maar van de trainer wordt verwacht dat die zaterdagmiddag wel precies de juiste elf namen op het wedstrijdformulier zet – waarbij die speler uiteraard één van die elf is. Misschien mag daar best iets tegenover staan? Wie prestatievoetbal zegt te willen spelen, kiest namelijk óók ergens voor. Niemand vraagt een amateurvoetballer om zijn bruiloft af te zeggen omdat FC Bal-op-het-Dak 1 uit wacht. Maar wie in negen maanden vijf weekendjes weg, twee festivals, een wintersport en een stedentrip plant, moet misschien ook niet verbaasd kijken wanneer zijn rugnummer inmiddels door een ander wordt gedragen. Vrijheid heeft een prijs. Zelfs in de tweede, derde of vierde klasse.

En misschien hebben de steeds grotere selecties daarbij onbedoeld een nieuw probleem gecreëerd. Clubs halen 22, 25 of soms nog meer spelers bij de selectie omdat ze weten dat gedurende het seizoen altijd mensen ontbreken. Logisch. Alleen weet de speler dat inmiddels ook. Ze hebben toch genoeg man. Precies. Totdat iedereen dat denkt. Dan staat de trainer op donderdagavond met negen man op het trainingsveld en ontvangt hij op vrijdag drie appjes met de vraag vanuit het verenigingsbestuur of spelersraad waarom de automatismen nog niet zo lekker lopen. Dat is ongeveer hetzelfde als niet komen repeteren en op zaterdag klagen dat het orkest vals speelt.

De basisplaats als abonnement

Daar komt nog iets bij. De basisplaats lijkt voor sommige spelers bijna een abonnement geworden. Eenmaal afgesloten, automatisch verlengd tot mei. Maar zo werkt selectievoetbal natuurlijk niet. Strating is daar verfrissend helder over. Wie weggaat en ziet dat zijn concurrent uitstekend speelt, moet niet terugkomen met de vraag waarom hij vervolgens reserve staat. „Als jouw concurrent het beter doet, dan doet hij het gewoon beter.” Zijn nog iets scherpere conclusie: „Het is je eigen donderschuld.” Daar zit weinig managementtaal tussen. En misschien is dat af en toe helemaal niet verkeerd. Want een trainer hoeft niet iedere beslissing in zes PowerPointdia’s, drie statistieken en een individueel ontwikkelplan uit te leggen.

Soms is een ander gewoon beter. Of fitter. Of vaker aanwezig. Böke ziet bovendien hoe snel de reactie tegenwoordig kan zijn wanneer een speler buiten het eerste elftal valt. „Als ik de hele tijd op de bank moet zitten, dan heb ik er geen zin meer in”, zijn volgens hem teksten die sneller voorbijkomen. Dat is misschien wel de andere kant van het nieuwe normaal. Clubs moeten flexibel zijn, trainers moeten flexibel zijn en selecties moeten flexibel zijn. Maar flexibiliteit kan niet betekenen dat alleen de speler mag buigen wanneer het hem uitkomt. Prestatievoetbal blijft uiteindelijk een afspraak tussen twee partijen. De trainer moet begrijpen dat zijn linksback ook een leven heeft. De linksback mag begrijpen dat zijn trainer net als ieder ander team wil presteren,

Meebewegen zonder om te vallen

De moderne amateurtrainer moet daarom misschien méér manager zijn dan ooit. Hij moet begrijpen waarom iemand weggaat, zonder automatisch akkoord te gaan met de sportieve consequenties. Hij moet ruimte geven, maar grenzen bewaken. Hij moet rekening houden met werk, relaties, vakanties en festivals, maar tegelijkertijd een topsportmentaliteit proberen te creëren binnen een omgeving die per definitie geen topsport is. En hij moet vooral communiceren. Hoppenbrouwer doet dat door vooraf helder te zeggen: ga gerust, maar jouw concurrent kan je plek overnemen. Böke weet dat zijn enorme groep vanzelf kleiner kan worden wanneer teleurgestelde spelers afhaken. Strating gebruikt zijn brede selectie juist als vangnet én als prikkel: wie er niet is, loopt het risico dat iemand anders zijn kans grijpt. Drie trainers. Drie nieuwe clubs. Drie verschillende selecties. Maar dezelfde uitdagingen.

Het is het nieuwe normaal. Zaterdag sluit de eerste voorronde van de bekercompetitie en begint de reguliere competitie en vanaf dat moment telt de uitslag. Dan wil iedere trainer zijn beste elf op het veld hebben en de beste 16-18 bij de wedstrijdselectie.

Mits die natuurlijk niet op Lowlands staan. Of op een bruiloft. Of straks in de skilift. En mocht je na drie weken vakantie, vier gemiste trainingen en een weekendje Berlijn toch op de bank zitten? Dan kan het zomaar zijn dat de trainer óók een afspraak heeft. Met iemand anders op jouw positie. Welkom in het amateurvoetbal seizoen 2026-2027.

Reageren? E: info@hetamsterdamschevoetbal.nl

Door: Harold van Ineveld

Blijf op de hoogte en volg ons via Facebook, Instagram en Twitter!