Home / Algemeen / Hoe is het met… Bas Huisman

Hoe is het met… Bas Huisman

Uit het oog maar niet uit het hart. In de rubriek ‘Hoe is het met…’ gaan we op zoek naar bekenden uit de Amsterdamsche voetbalwereld die uit het gezichtsveld zijn verdwenen. In deel 16: Bas Huisman (48), die in de Hoofdklasse voor OSV speelde en misschien wel ‘mister IVV‘ genoemd mag worden.

DWS stroomt eigenlijk door zijn bloed; zijn vader speelde er in de jeugd en zijn opa is een van de oprichters van de club. Toch speelde Bas Huisman slechts een wedstrijd in het eerste elftal. “Op mijn twaalfde verhuisden mijn ouders van Amsterdam naar Landsmeer. Ik ging bij IVV voetballen, maar na één seizoen ben ik toch weer teruggegaan naar DWS. Het niveauverschil met de jeugd van DWS en IVV was te groot. Als A-junior heb ik onder Rien Hillebrand bij DWS één keer in het eerste gespeeld.”

Daarna besloot hij weer in zijn woonplaats te voetballen, in de A-jeugd van IVV. Het begin verliep niet zoals gewenst. “Na een akkefietje met een scheidsrechter werd ik voor tien wedstrijden geschorst. Mocht ik daarna alleen met het tweede meetrainen. Frans Schuitemaker was trainer van het eerste elftal en zag het gelukkig in mij zitten. Onder hem heb ik ook mijn debuut gemaakt.”

Na drie goede jaren in het eerste elftal klopte een bekende uit Landsmeer bij Huisman aan voor een overstap. “Dick Alberts was trainer geworden van OSV en daagde mij uit om daar te komen voetballen. Mijn broer Marcel speelde er al en voor mij was het een mooie kans in de Hoofdklasse. Het eerste seizoen ging nog best goed met spelers als André Sitek, Kenneth te Vrede, Enrico Small, Michel Holterman en Curtis Haisselbank. Het tweede seizoen stortte helaas in en moest Dick in de winterstop weg. Waar het precies aan lag, weet ik niet, maar ik denk dat wij teveel mooie voetballers hadden en te weinig waterdragers.”

“Dat Dick wegging was erg jammer, het was een goede trainer”, vervolgt hij. “We speelden een keer tegen DCG, waar Ton Ojers toen trainer was. Had de aanvoerder van DCG een interview gegeven aan de krant waarin hij zei dat ze wel even van ons zouden winnen. Op de wedstrijddag hing op iedereen zijn plek in de kleedkamer dat artikel. Wij wonnen en bedankten de aanvoerder van DCG netjes in de kantine voor zijn mooie ‘peptalk’. Ojers was natuurlijk pislink en niet blij met dat interview.”

Alberts werd uiteindelijk opgevolgd door Joop Burgers, een ander type trainer volgens Huisman. “In die tijd zaalvoetbalde bijna iedereen van OSV ook op vrijdagavond, tegenwoordig zou dat niet meer kunnen. Speelden we ook bijna allemaal bij een andere vereniging, maar wel in Sporthallen Zuid. Daar waren we op vrijdagavond te vinden en speelden we vaak tegen elkaar. Burgers vond dat zaalvoetbal helemaal niets, dus gingen we opeens op vrijdagavond trainen. Dat deden we wel, maar na de training sprongen we in de auto en om alsnog te zaalvoetballen.”

Na twee seizoenen besloot Huisman OSV toch te verlaten om samen met zijn broer naar Hollandia te gaan. “We trainden daar mee en hadden afgesproken om de beurt te gaan rijden. De eerste paar keer werd het al zo gezellig dat we wel om de beurt reden, maar niet zoals we afgesproken hadden. Toen hebben we afgezegd. Een jaar lang heen en weer te gaan rijden was geen goed plan.” Vervolgens belde IVV weer. “Kenneth te Vrede en André Gieling gingen van OSV naar IVV en ik begon net met mijn eigen schildersbedrijf. Ik zou het dus drukker gaan krijgen met werk en heb bewust voor de stap lager gekozen. Spijt heb ik hier nooit van gehad. Tuurlijk belde er later weleens een club, bijvoorbeeld DWS. Maar door een zwakke knie en mijn werk wilde ik dat gewoon niet meer. Bij IVV was het gewoon goed geregeld, dus zomaar weggaan deed je ook niet. Toon Donkbroek was een hele gezellige elftalleider en wijlen ome Gijs Kroon zorgde ervoor dat alles eromheen goed geregeld was. Konden we ieder jaar gezellig met zijn allen op trainingskamp.”

Na veertien jaar IVV zette hij er een punt achter. Op 37-jarige leeftijd was het mooi geweest. “Hierna heb ik nog in het bestuur gezeten en allerlei functies bij de club gehad, inmiddels niet meer. Trainer zou ik nooit kunnen en willen zijn. Ieder jaar diezelfde verhalen moeten vertellen, ik kan dat niet.” Wel is hij vaak langs de lijn te vinden in en om Amsterdam. Zo speelt zijn zoon Dean bij tweededivisionist AFC. “Hij is twintig jaar en we praten vaak over voetbal. Maar echt luisteren doen ze op die leeftijd natuurlijk niet. Toch zie ik wel dingen van mij terug als ik hem zie voetballen, dat vind ik prachtig om te zien.”

Meer nieuws op de clubpagina(s)▼

Send this to a friend