Een twaalfjarige voetballer probeert onder de prestatiedruk te voldoen aan de verwachtingen zijn ouders, scouts en omgeving. De keerzijde van jeugdvoetbal: vergeten dat een kind vooral gewoon lekker wil voetballen.
Door: Peter Brink
Gewoon lekker voetballen
Ik heb zin om een dag iemand anders te zijn. Niet Lionel Messi en ook niet Cristiano Ronaldo. Ik wil een dag Kevin Kroket zijn.
Kevin is twaalf. Hij speelt rechtsbuiten, heeft een beugel, een veel te grote voetbaltas en een enorme behoefte aan vla. Vanillevla, zijn favoriete vla. Dat weet ik omdat ik vandaag Kevin ben.
Ik sta op het voetbalveld. Aan de ene kant van het veld staat mijn vader, aan de andere kant mijn moeder. Mijn moeder heeft een vriendje. Ik weet het, maar zij denkt van niet. Papa weet dat ik het weet en mama weet dat papa dat vermoedt. Zelf denk ik dat ik ze misschien bij elkaar kan houden als ik vandaag maar goed genoeg speel.
Gek eigenlijk. Ik ben twaalf, speel rechtsbuiten en blijkbaar ben ik ook relatietherapeut.
Achter het doel staan scouts. Langs de lijn staat de trainer en op de tribune zitten mensen die alles filmen voor Instagram. Ik sta ertussenin.
‘Je moet gewoon lekker voetballen,’ zegt mijn vader.
Jaja.
Eigenlijk moet ik de eer van mijn vader hooghouden, onze familienaam niet verder beschadigen, mijn getraumatiseerde voorouders tevredenstellen en, als het even kan, ook nog worden gescout.
Geen druk. Gewoon lekker voetballen.
Jaja.
Ik krijg de bal en neem hem verkeerd aan.
‘Kom op, Kevin!’
Ik speel hem terug.
‘Naar voren!’
Even later schiet ik naast.
‘Die moet erin!’
Mijn vader slaat zijn handen tegen zijn hoofd. Ik kijk naar het gras. Het gras zegt niets.
Heerlijk gras.
Ik zou willen dat het gras mijn vader was. Dan hoefde ik tenminste niets goed te doen.

De toverstok
Ineens krijg ik een idee. Ik ben vandaag Kevin, dus ik mag best een toverstok hebben. Een echte.
Ik haal hem uit mijn voetbaltas, steek hem omhoog en maak een zwiepende beweging.
Iedereen langs de lijn bevriest. Mijn vader, mijn moeder, de trainer en de scouts. Zelfs de mensen op de tribune houden hun telefoon roerloos voor hun gezicht.
Het is stil.
Eindelijk kan ik ademhalen.
In de stilte begrijp ik dat mijn toverstok eigenlijk geen toverstok is. Het is een spiegel. Ik heb iedereen stilgezet zodat ik eindelijk kan horen wat er onder al hun geschreeuw verborgen zit.
Dan gebeurt er iets vreemds. Vanuit de spelerstunnel komt een televisieploeg het veld op. De camera’s snorren. Voorop loopt JJ, altijd even guitig, alsof hij net uit een speeltuin komt en onderweg een paar schuimblokken heeft opgegeten. Naast hem loopt Fransie. Hij ziet er eeuwig jong uit. Dat moet ook wel, want anders lig je er in Amsterdam zo uit.
Ook Fransie had ooit zo’n vader. Een vader voor wie winnen belangrijk was. Een vader voor wie zijn zoon door het vuur ging.
Fransie loopt naar mijn vader toe en tikt met zijn wijsvinger tegen diens schouder. Mijn vader komt weer tot leven.
‘Waarom loop je zo tegen je zoon te zeiken?’ vraagt Fransie.
Mijn vader kijkt hem verbaasd aan. ‘Wat?’
‘Vind je hem een paardenlul omdat hij die bal er niet in schiet?’
‘Mijn zoon moet die bal gewoon afmaken.’
Fransie knikt. ‘Dat begrijp ik, maar ik vraag iets anders.’
Hij doet een stap naar voren, zoals alleen Fransie dat bij een geïnterviewde kan doen.
‘Waarom moet hij dat voor jou?’
Mijn vader zegt niets.
JJ kijkt naar mij en daarna weer naar mijn vader.
‘Over wie gaat dit eigenlijk?’ vraagt hij. ‘Over Kevin? Of gaat het misschien een beetje over jou?’
Mijn vader kijkt naar de grond. Daar staat hij dan, de man die zojuist nog riep dat ik harder moest lopen.
Fransie gaat naast hem staan.
‘Adem eens rustig door.’
Mijn vader haalt adem.
‘Wat voel je?’
‘Niets.’
‘Dat geloof ik niet.’
Mijn vader kijkt naar mij.
‘Teleurstelling.’
‘In wie?’
Mijn vader zwijgt.
‘In jezelf?’ vraagt Fransie.
Mijn vader knikt.
‘Waar ben je boos over?’
Hij kijkt opnieuw naar mij, maar deze keer ziet hij geen rechtsbuiten. Hij ziet zijn zoon.
‘Op mezelf.’
‘En waar ben je bang voor?’
Dan begint mijn vader te huilen. Zomaar, langs een voetbalveld, op een doodgewone zaterdag.
De vader die jarenlang heeft geroepen dat zijn zoon niet moet huilen, huilt nu zelf.

Wat er onder het geschreeuw zit
Mijn moeder begint ook te huilen. Ik vraag me af wat er achter haar tranen verborgen zit. De trainer kijkt naar zijn schoenen en een van de scouts doet alsof hij iets belangrijks in zijn notitieboekje zoekt.
JJ kijkt ernstig in de camera.
Op dat moment begrijp ik het. Mijn vader wilde helemaal niet dat ik die bal in het doel schoot. Hij wilde dat hij zelf eindelijk een keer zou slagen, via mij.
Hij had zijn onafgemaakte verhaal op mijn schouders gelegd. Zijn teleurstellingen, zijn dromen, zijn angsten en al zijn gemiste kansen. Zijn behoefte om gezien te worden.
Hij noemde het liefde. Hij noemde het betrokkenheid. Meestal zei hij: ‘Ik wil gewoon het beste voor mijn kind.’
Misschien was dat ook wel zo. Alleen ging het al een tijdje niet meer over mij. Langs de lijn stond een vader die naar zijn zoon keek, maar vooral zichzelf zag. Op het veld stond een jongen die dacht dat hij moest winnen om zijn vader gelukkig te maken.
‘Papa?’ zeg ik.
Hij kijkt op.
‘Als ik vandaag niet scoor, ben je dan teleurgesteld?’
Mijn vader wil automatisch ja zeggen. Ik zie het aan zijn mond, maar hij slikt het woord in.
‘Misschien,’ zegt hij.
‘In mij?’
‘Nee.’
‘Waarin dan?’
Hij kijkt me aan en ineens lijkt hij zelf twaalf.
‘In mezelf, denk ik.’
Ik knik. ‘En als ik slecht speel?’
‘Dan speel je slecht.’
‘En als ik nooit prof word?’
Hij haalt diep adem. ‘Dan word je geen prof.’
‘Hou je dan nog steeds van me?’
‘Natuurlijk.’
‘Ook als ik later iets heel anders wil worden?’
Hij lacht door zijn tranen heen. ‘Ja, jongen. Ook dan.’

Weer spelen
Ik steek mijn toverstok nog één keer omhoog en zwiep ermee door de lucht.
De televisieploeg verdwijnt. De scouts verschijnen weer achter het doel en de trainer staat opnieuw langs de lijn. Mijn moeder veegt haar tranen weg. Mijn vader kijkt naar mij en zegt voor het eerst niets over voetbal.
‘Heb je eigenlijk een beetje plezier?’ vraagt hij.
Ik knik. ‘Ja.’
‘Mooi.’
Ik kijk naar mijn toverstok. Ik heb hem niet meer nodig en stop hem terug in mijn voetbaltas, naast mijn scheenbeschermers en het pak vanillevla.
Daarna krijg ik de bal.
Ik schiet naast.
Mijn vader zegt niets.
Even later krijg ik de bal opnieuw. Ik schiet weer en mis.
Mijn vader applaudisseert. Niet omdat ik scoor, maar omdat ik weer speel.
Ik ren achter de bal aan. Mijn benen voelen lichter dan voorheen. Ik hoef mijn vader niet meer gelukkig te maken en ik hoef mijn ouders niet bij elkaar te houden. Ik hoef geen prof te worden en niemand via mij te laten slagen.
Ik hoef alleen maar Kevin te zijn.
Vandaag ben ik Kevin Kroket.
Ik heb niet gescoord.
Ik kreeg toch vla.
Disclaimer: Dit verhaal is fictie. De personages, gebeurtenissen en gesprekken zijn verzonnen. Eventuele overeenkomsten met bestaande personen of werkelijke gebeurtenissen berusten op toeval. Verwijzingen naar bekende personen zijn uitsluitend literair bedoeld en bevatten geen feitelijke beweringen over hun privéleven.
Foto’s: Copyright Het Amsterdamsche Voetbal
Het Amsterdamsche Voetbal Doelgericht