Don Guezen mist de Amsterdamse branie: ‘Voetbal is veel te tactisch geworden’

De veelzijdige trainer, opleider en scout pleit voor meer balcontact, betere samenwerking rond talent en serieuze investeringen in het meisjes- en vrouwenvoetbal

Don Guezen is moeilijk in één voetbalrol te vangen. Hij was speler van onder meer FC Amsterdam en behoorde als zaalvoetballer tot de nationale top. Later werkte hij als jeugd- en seniorentrainer, spelersagent, KNVB-praktijkbegeleider, scout en wedstrijdanalist bij MVV en Willem II. Hij leidt tegenwoordig de DG Academie bij ZOB. Ook was hij actief in het vrouwenvoetbal en trainde hij jeugdselecties van De Volewijckers.

Familie

Voetbal zit in de familie Guezen. Dons broer Paul speelde als talent in de A1 van DWS. Zoon Dean Diego Guezen is profvoetballer in de Verenigde Staten en komt in New York uit voor Westchester. Dean doorliep in Nederland de jeugdopleidingen van AFC, Ajax, ASV De Dijk, IVV, opnieuw AFC en Feyenoord. Daarna was hij actief in de jong-elftallen van ADO Den Haag en SC Cambuur.

Zoon Dean speelt in de USA

Aanvallen

Vorig seizoen schoof Guezen bij HBOK een deel van het seizoen door naar de bank van het eerste elftal, nadat hoofdtrainer Charles Loots was opgestapt. Bij de club uit Zunderdorp staat hij nog altijd op het veld, nu als trainer-coach van het tweede. Daarnaast geeft hij clinics en individuele trainingen aan jonge voetballers. Stilzitten past niet bij hem; kijken, opleiden en verbeteren past juist wél.

Wie met Guezen over voetbal spreekt, weet snel waar hij voor staat. Hij wil aanvallen, initiatief nemen en spelers vrijheid geven. Het liefst doet hij dat in een 1-3-4-3-formatie, eventueel in 1-4-3-3. Geen eindeloze risicomijdende opdrachten, maar de bal snel terugveroveren en daarna durven voetballen. “De volgende bal is altijd de beste bal”, is een van zijn vaste boodschappen.

Hoofdtrainer? Alleen met vertrouwen en een duidelijke visie

Bij HBOK werkt Guezen momenteel met het tweede elftal. Hij wil het niveau van de ploeg verhogen en tegelijk de aansluiting tussen de lagere seniorenteams en het eerste verbeteren. Er staat volgens hem een leuke, deels nieuwe groep, maar het kost tijd om spelers aan een hoger trainings- en prestatieniveau te laten wennen.

Een terugkeer als hoofdtrainer sluit hij niet uit, al is zijn antwoord niet zonder voorbehoud. De liefde voor het werk is er nog, maar hij wil het wel op zijn manier kunnen doen. “Ja en nee. Ik doe het heel graag, maar dan ga ik het wel doen zoals ik het doe. Ik heb mijn eigen plan: 1-3-4-3 of 1-4-3-3. We willen de bal binnen vijf seconden terug en daarna gaan we voetballen. Lekker durven pingelen. Ik wil niet ineens allerlei dingen verzinnen omdat anderen mij vertellen hoe ik moet spelen.”

Dat betekent niet dat een trainer boven de club staat. Bestuur en trainer moeten vooraf juist duidelijke afspraken maken over visie, speelwijze en faciliteiten. Is die keuze eenmaal gemaakt, dan moet de club vertrouwen houden wanneer resultaten tijdelijk tegenvallen.

Guezen heeft meegemaakt dat mensen binnen een vereniging tijdens het seizoen wilden voorschrijven hoe zijn ploeg moest spelen. Daar trekt hij een grens. Een trainer moet aanspreekbaar zijn, maar ook de ruimte krijgen om zijn vak uit te oefenen. Spelers moeten initiatief durven nemen. Wie hem aanstelt, weet dus wat hij binnenhaalt.

“Als je een trainer aanneemt, moet je zorgen dat hij de faciliteiten heeft. Natuurlijk praat je vooraf over de speelwijze, want een club moet weten waar een trainer voor staat. Maar als het een keer niet goed gaat, moet je niet meteen alles omgooien. Dan moet je vertrouwen houden. Johan Cruijff verloor in het begin ook wedstrijden en werd later kampioen. Als je echt voor een bepaalde manier van voetballen kiest, moet je niet na een paar weken ineens iets anders gaan bedenken.”

Minstens zo belangrijk is de relatie met de spelers. Guezen kan fanatiek en kritisch zijn, maar wil dat een conflict op het veld daar ook wordt afgesloten. Hij probeert spelers als mens te leren kennen en hen verschillend te benaderen, omdat ieder karakter iets anders nodig heeft. “De persoonlijke relatie is echt heel belangrijk. Iedereen heeft een ander karakter. Ik kan op het veld boos op een speler worden en kritisch zijn, maar daarna moet het ook klaar zijn. Je probeert iemand beter te maken. Ook als een speler even boos op mij is, wil ik niet dat we zo uit elkaar gaan. Ik houd van iedere speler. Dat klinkt misschien gek, maar voor mij hoort dat bij trainer zijn.”

Discipline hoort daar eveneens bij. Wie een festival verkiest boven een wedstrijd of zonder goede reden een training mist, kan niet vanzelfsprekend rekenen op een basisplaats. “Sommige jongens zeggen af omdat ze naar een festival gaan. Prima, veel plezier. Maar dat betekent wel dat je de volgende wedstrijd niet speelt. Je kunt niet wegblijven en daarna denken dat je gewoon weer in de basis staat. Dat gaat niet gebeuren. Ze weten dat ook van mij. Afspraken moeten iets betekenen.” Gezelligheid en prestatiedrang kunnen volgens hem uitstekend samengaan, zolang de grenzen voor iedereen duidelijk zijn.

Meer kinderen laten spelen begint bij slimmer opleiden

De wachtlijsten in het Amsterdamse amateurvoetbal baren Guezen zorgen. Ruim een kwart van de amateurclubs heeft tegenwoordig een wachtlijst en bij 87 procent van die verenigingen gaat het om jeugdspelers. Daardoor staan juist kinderen buitenspel in een stad die barst van het voetbaltalent.

Volgens Guezen moeten clubs niet alleen naar een tekort aan velden wijzen, maar ook kritisch kijken naar de manier waarop zij ruimte, trainers en trainingsuren gebruiken. Op één veld kan met grotere groepen worden gewerkt wanneer de training goed is georganiseerd in circuits en kleine spelvormen. De voorwaarde is wel dat iedere oefening herkenbaar met voetbal te maken heeft en kinderen veel balcontacten krijgen.

Daar wringt het volgens hem geregeld. Hij ziet jonge spelers rennen, rekken en over hindernissen bewegen zonder bal. Breed motorisch ontwikkelen is nuttig, benadrukt hij, maar kan meestal ook mét bal.

“Ik zie kinderen van acht of negen zonder bal lopen, rekken en over hoedjes springen. Dan denk ik: volgens mij is dit geen voetbal. Je kunt diezelfde bewegingen toch met een bal doen? Links, rechts, over een hoedje en daarna op doel schieten. Dan train je de motoriek én het voetballen. Als je een kind alleen laat rennen, raakt het nooit een bal. Alles kan met een bal. Echt alles.”

Door dribbelen, van richting veranderen, over een obstakel bewegen, passen en afronden te combineren, train je volgens Guezen tegelijk motoriek, techniek, waarneming en plezier.

Dat vraagt om betere begeleiding van vrijwillige trainers. Veel ouders of aspirant trainers zetten zich met de beste bedoelingen in, maar krijgen volgens hem te weinig structurele ondersteuning. Clubs zouden daarom een herkenbare leerlijn moeten maken, oefenvormen moeten aanbieden en ervaren trainers vaker op het veld naast beginnende coaches moeten zetten. Niet om vrijwilligers te vervangen, maar om hen sterker te maken. Zo kunnen meer kinderen worden toegelaten zonder dat de kwaliteit van de opleiding verwatert.

Guezen pleit bovendien voor meer vrije spelvormen. Zelf leerde hij voetballen door urenlang partijtjes te spelen op Amsterdamse veldjes. Daar ontwikkel je techniek en spelinzicht, maar ook weerbaarheid, creativiteit en het vermogen om zelf oplossingen te vinden.

“Ik heb voetbal geleerd op een Amsterdams veldje. Je deed met alle jongens mee en speelde de hele avond partijtjes. Weet je hoe goed je daarvan wordt? En weet je hoe leuk dat is? Voetbal moet een feest zijn. Tegenwoordig maken we het soms zo georganiseerd dat het plezier en het echte spelen verdwijnen.”

Juist in een steeds georganiseerdere voetbalwereld dreigt dat eenvoudige uitgangspunt verloren te gaan.

Talentontwikkeling lijdt onder eilandjes en belangen

Via zijn academy en individuele trainingen zag Guezen meerdere spelers doorstromen naar een betaald voetbalorganisatie. Toch vindt hij niet dat Amsterdams talent tegenwoordig goed genoeg wordt opgeleid en gescout. Te veel spelers verdwijnen uit beeld, worden op het verkeerde moment afgewezen of krijgen pas later opnieuw een kans. Niet altijd de kwaliteit, maar ook het netwerk rond een speler bepaalt volgens hem welke deur opengaat.

De verhouding tussen amateurclubs, scouts en zaakwaarnemers is daarbij ingewikkeld geworden. Goede extra training kan een aanvulling zijn: extra vaardigheidstraining, individuele aandacht en mogelijk een netwerk dat een speler verder helpt. Guezen heeft zelf jarenlang spelers getraind die vervolgens zonder financieel belang van zijn kant naar een profopleiding vertrokken. Maar zodra partijen vooral concurreren om status, spelers of geld, raakt het belang van het kind uit zicht.

Hij ziet zaakwaarnemers steeds eerder rond jonge spelers verschijnen en kent voorbeelden waarbij een bestaande ontwikkelroute plotseling werd doorkruist. Zijn bezwaar is niet dat een speler begeleiding zoekt, maar dat commerciële of relationele belangen soms zwaarder lijken te wegen dan een eerlijke sportieve beoordeling.

“Ik heb jongens getraind, iemand gevraagd om te komen kijken en geprobeerd zo’n speler verder te helpen. Dan komt er ineens een zaakwaarnemer tussen die er geld aan wil verdienen. Ik weet te veel van wat er allemaal gebeurt in het voetbal; ik heb het zelf meegemaakt. Het gaat vaak puur om geld. Het is niet alleen wie je bent, maar ook wie je kent. En dat gebeurt niet alleen bij de amateurs, maar ook in het betaald voetbal.”

De oplossing ligt volgens hem in samenwerking. Amateurclubs en profclubs zouden transparanter moeten zijn over de ontwikkeling van een speler en elkaar niet als vanzelf als concurrent moeten behandelen. Scouts moeten vaker en langer kijken, in verschillende wedstrijden en omstandigheden.

“Er wordt zeker niet goed genoeg gescout. Een jongen kan eerst worden afgewezen, alle routes aflopen en later ineens weer worden teruggevraagd. Hoe kan dat? Amsterdam heeft zoveel potentie. Dan mag talent niet verdwijnen omdat clubs en mensen rondom zo’n speler vooral met elkaar bezig zijn. Uiteindelijk moet het erom gaan wat voor die jongen of dat meisje het beste is.”

Een momentopname of een bekende tussenpersoon mag niet beslissend zijn. In een stad met zoveel potentieel is het volgens Guezen onverteerbaar wanneer talent tussen de verschillende loketten verdwijnt.

‘Waar is de echte Amsterdamse voetbalstijl?’

Over één onderwerp hoeft Guezen niet lang na te denken: trainers zijn volgens hem te voorzichtig geworden. Ook in het Amsterdamse amateurvoetbal draait het snel om resultaat, handhaving en het afdekken van risico’s. Ploegen zakken terug, houden veel spelers achter de bal en kiezen voor zekerheid. Guezen mist het lef om een tegenstander vast te zetten en zelf de wedstrijd te bepalen.

Hij verzet zich tegen de gedachte dat aanvallend voetbal naïef zou zijn. Zijn 1-3-4-3 vraagt juist om duidelijke afspraken, intensiteit en verantwoordelijkheid. Na balverlies wil hij de bal binnen enkele seconden terug. Bij een verdedigende corner houdt hij graag meerdere spelers voorin, zodat de tegenstander niet onbeperkt mensen naar voren kan sturen. Verdedigen begint voor hem niet met teruglopen, maar met druk zetten en de tegenpartij dwingen rekening met jou te houden.

Natuurlijk kan een wedstrijd om een aanpassing vragen. Maar een formatie mag geen doel op zichzelf worden en angst mag niet de basis van het plan zijn. Guezen ziet te vaak elftallen in een laag blok blijven staan, zelfs wanneer de wedstrijdsituatie vraagt om initiatief.

“Nu is het heel veel tegenhouden. Zelfs als de situatie verandert, blijven ploegen in 1-5-3-2 staan. Dan zitten er ook nog allerlei analisten, assistenten en laptops naast de trainer. Ik vind dat echt ongelooflijk. Het voetbal is veel te tactisch geworden: de as dicht, de binnenkant dekken, spitsen die helemaal terug moeten zakken. Ik houd bij een hoekschop liever drie spitsen en mijn nummer tien voorin. Dan moet de tegenstander dáár rekening mee houden.”

Daarmee bedoelt hij niet dat tactiek onbelangrijk is, maar dat systemen, analyses en termen het spel soms ingewikkelder maken dan nodig.

De Amsterdamse stijl die hij kent, draait om techniek, durf, combinatievoetbal en een zekere brutaliteit. Spelers moeten een actie mogen maken en na een mislukking opnieuw om de bal vragen. Dat is ook de gedachte achter zijn gevleugelde uitspraak over de volgende bal: fouten horen bij leren en aanvallend spelen. Wie alleen bezig is met wat niet mag misgaan, ontwikkelt geen creatieve voetballers.

Meisjes en vrouwen verdienen dezelfde kwaliteit

Guezen trainde jongens, meisjes en vrouwen. Zijn ervaring is dat vrouwelijke spelers vaak fanatiek zijn, goed luisteren en aanwijzingen snel willen toepassen. “Bij de meiden zou ik net zo’n goede trainer neerzetten als bij de jongens. Ze zijn heel goed te trainen en vaak ontzettend fanatiek; dat durf ik echt wel te zeggen. Maar dan moet wel de juiste persoon voor die groep staan. Te vaak zijn het alleen vrijwilligers die alles moeten doen. Die mensen zijn belangrijk, maar ook zij moeten ondersteuning en kwaliteit om zich heen krijgen.”

Toch worden meisjes en vrouwen binnen clubs nog te vaak als een aparte of secundaire afdeling behandeld. De grootste stap is volgens hem daarom even eenvoudig als fundamenteel: zet ook bij meisjes- en vrouwenteams goede, passende trainers neer. Te vaak leunt die afdeling uitsluitend op vrijwilligers zonder voldoende ondersteuning, terwijl selectieteams bij de jongens meer expertise, betere trainingsuren en extra faciliteiten krijgen. Gelijkwaardigheid betekent volgens Guezen niet dat ieder team exact hetzelfde moet krijgen, maar wel dat kwaliteit, aandacht en ambitie niet afhangen van geslacht.

Clubs moeten bovendien met speelsters zelf in gesprek. Wat vinden zij leuk, wat willen zij leren en welke ambities hebben zij? Guezen verwacht dat het antwoord vaak richting aanvallen en voetballen zal wijzen. “Vraag die meiden en vrouwen (maar ook jongens en mannen, red.) eens wat zij het leukste vinden: verdedigen of aanvallen? Aanvallen natuurlijk. Zorg dan dat ze snel de bal terugkrijgen en leer ze daarna voetballen. Ook bij de dames hoor ik over half-half staan, in een blok spelen en de as dichtzetten. Volgens mij kan het veel eenvoudiger. Als je de bal niet hebt, probeer je hem terug te krijgen. Heb je hem wel, dan ga je voetballen.”

Lees ook: VOETBAL MOET OOK LEUK ZIJN | WV-HEDW Vrouwen 1 wil met vertrouwde trainer en jeugdige impulsen omhoog

Lees ook: VROUWENVOETBAL | DVVA Vrouwen 1 wil stap naar eerste klasse zetten: ‘We willen bovenin meedoen’

Lees ook: Buitenveldert Vrouwen 1 mikt op de top: ‘We willen voor het kampioenschap gaan’

Ook in het vrouwenvoetbal ziet hij namelijk trainers die het spel ingewikkelder maken dan nodig. Zijn alternatief is herkenbaar: leer speelsters de bal snel terug te veroveren en geef hun vervolgens de vrijheid om aan te vallen. Structurele gelijkwaardigheid vraagt daarnaast om een doorlopende jeugdopleiding, zichtbare rolmodellen en een reële route van de jongste meisjes naar de vrouwenselectie. Trainers moeten worden geschoold, teams moeten op volwaardige tijden kunnen trainen en de clubleiding moet het vrouwenvoetbal meenemen in het technische beleid. Niet als project voor één seizoen, maar als vast onderdeel van de vereniging.

De volgende bal

Guezen spreekt met de directheid van iemand die vrijwel iedere rol in het voetbal heeft meegemaakt. Hij kent de kleedkamer, het amateurbestuur, de profscouting, de academy en de spelersbegeleiding. Zijn opvattingen zijn uitgesproken, maar de rode draad is eenvoudig: spelers worden beter wanneer zij veel voetballen, vertrouwen krijgen, duidelijke grenzen kennen en worden gezien als mens.

Het Amsterdamse amateurvoetbal heeft volgens hem nog altijd een uitzonderlijk reservoir aan talent en voetbalcultuur. Maar dat potentieel benutten vraagt meer dan wachtlijsten beheren, formaties kopiëren of hopen dat een scout toevallig langs de lijn staat. Clubs moeten slimmer organiseren, trainers beter begeleiden, samenwerken rond talent en meisjes en vrouwen dezelfde sportieve ernst bieden.

En bovenal moet er weer durf in het spel komen. Want een mislukte pass is voor Guezen nooit het einde van een aanval of van een ontwikkeling. “De volgende bal is altijd de beste bal. Spelers zeggen na een fout vaak: wat een klotebal. Dan zeg ik: vergeet die bal, de volgende is de beste. Je leert van dingen die je niet goed hebt gedaan. Ik ook nog steeds. Soms moet ik tot tien tellen, en soms zelfs tot twintig. Maar je moet altijd weer verder.”

Tekst: Harold van Ineveld

Foto’s: privé collectie Don Guezen

Blijf op de hoogte en volg ons via Facebook, Instagram en Twitter!