Bij DCG staat hoofdtrainer Ibrahim el Mahdioui al jarenlang aan het roer, maar op het trainingsveld heeft een ander een minstens zo bepalende rol. Yassine Hamami (37) is geen traditionele assistent-trainer. Hij ‘ontwerpt’ trainingen, bewaakt de ontwikkeling van spelers en vertaalt voetbalprincipes naar de praktijk. Na twintig jaar in het trainersvak, tien seizoenen als Hoofd Jeugdopleiding, heeft de geboren Amsterdammer een duidelijke missie: het amateurvoetbal laten zien dat een goede assistent veel meer kan zijn dan de rechterhand van een hoofdtrainer. El Mahdioui is uitgesproken over zijn collega. „Er loopt naar mijn overtuiging geen betere veldtrainer rond op de Nederlandse amateurvelden dan Yassine.”
Wie op een doordeweekse trainingsavond bij DCG langs de lijn staat, ziet een technische staf waarin de taken anders zijn verdeeld dan bij veel amateurverenigingen. Natuurlijk is er een hoofdtrainer die de eindverantwoordelijkheid draagt, de opstelling bepaalt en uiteindelijk op de resultaten wordt afgerekend. Maar de voorbereiding van de trainingen, de oefenvormen en de manier waarop spelers zich gedurende het seizoen ontwikkelen, liggen voor een belangrijk deel in handen van Yassine Hamami. Een assistent-trainer dus, al doet die functietitel hem eigenlijk tekort. Niet omdat Hamami zichzelf belangrijker vindt dan zijn positie, maar omdat hij een andere invulling geeft aan een functie die in het amateurvoetbal vaak nog behoorlijk traditioneel wordt benaderd.
„Bij veel amateurverenigingen zie je dat een assistent vooral tussen de spelersgroep en de hoofdtrainer zit. Iemand die ervoor zorgt dat de kleedkamer rustig blijft en die de verbinding met de spelers bewaakt. Dat is niet de rol die ik vervul. Ik ben voornamelijk verantwoordelijk voor het vormgeven van de trainingen. Welke oefenvormen gebruiken we, wat doen we op welke dag en hoe ziet de voetbalconditionele en tactische periodisering eruit? Het gaat mij vooral om het proces dat we met de spelersgroep willen doorlopen.” Het klinkt misschien als een vanzelfsprekend onderdeel van het trainersvak, maar Hamami merkt dat deze werkwijze bij lang niet iedere amateurvereniging gebruikelijk is. En juist daar wil hij verandering in brengen.

Snel de stap gemaakt naar het trainersvak
De voetbalachtergrond van Hamami begint in Amsterdam. Hij doorliep als jeugdspeler verschillende verenigingen en maakte later ook buiten de stad zijn voetbalmeters. „Ik ben begonnen bij TOG, daarna heb ik bij (DTA)-Fortius gespeeld en vervolgens de jeugdopleiding van Zeeburgia doorlopen. Daarna heb ik bij Legmeervogels en Swift gevoetbald. Uiteindelijk ben ik vooral op een behoorlijk niveau in het zaalvoetbal actief geweest.”
Toch lag zijn toekomst niet uitsluitend binnen de lijnen. Al op jonge leeftijd ontdekte hij dat het begeleiden en ontwikkelen van spelers hem minstens zoveel voldoening gaf als zelf voetballen. „Ik ben vanaf mijn achttiende actief als trainer. Inmiddels doe ik dat dus al bijna twintig jaar. Rond mijn 25ste kwam de UEFA B-opleiding erbij. Dat kost ontzettend veel tijd. Op een gegeven moment heb ik daarom bewust gekozen om mij volledig op mijn trainerscarrière te richten.” Die keuze bracht hem niet alleen op het trainingsveld, maar ook in de wereld van jeugdopleidingen, opleidingsplannen en verenigingsstructuren. De afgelopen tien jaar was hij beroepsmatig actief binnen het amateurvoetbal. Eerst bij HC & FC Victoria 1893 in Hilversum, daarna bij DCG. Twee verenigingen met een verschillende achtergrond en cultuur, maar met een overeenkomstige uitdaging: hoe zorg je ervoor dat jeugdspelers, trainers en de vereniging zich structureel blijven ontwikkelen?
Tien jaar bouwen aan jeugdopleidingen
Bij Victoria en DCG vervulde Hamami in totaal tien seizoenen de functie van Hoofd Jeugdopleiding (HJO). Een periode waarin hij zich niet uitsluitend bezighield met de ontwikkeling van individuele voetballers, maar ook met de kwaliteit van trainers en de inrichting van de jeugdopleiding. Het was een rol die veel verder ging dan het beoordelen van wedstrijden of het samenstellen van jeugdselecties. Hamami werkte aan opleidingsstructuren en aan de vraag hoe een vereniging haar eigen voetbalidentiteit kan ontwikkelen en bewaken.
Na tien seizoenen besloot hij afscheid te nemen van die functie. „Na tien seizoenen als Hoofd Jeugdopleiding bij Victoria en DCG, twee prachtige maar totaal verschillende verenigingen, nam ik bewust afscheid van deze rol. Een rol waarin ik met volle overtuiging heb gewerkt aan de ontwikkeling van jeugdspelers, trainers en de opleidingsstructuur van beide clubs.” In oktober 2025 zette hij daadwerkelijk een punt achter zijn werkzaamheden als HJO. Niet omdat zijn belangstelling voor jeugdvoetbal was verdwenen, maar omdat hij een andere richting wilde inslaan. „Ik heb bewust een andere keuze gemaakt in mijn carrière. Ik wilde een stap terug doen uit die functie en mij volledig richten op mijn rol bij het eerste elftal. Sindsdien ben ik alleen nog als assistent-trainer actief.”
Dat betekent overigens niet dat hij zijn achtergrond als jeugdopleider bij de ingang van het sportpark achterlaat. Integendeel. De ontwikkeling van jonge spelers blijft een belangrijk onderdeel van zijn voetbalvisie. „Wat ik bij Victoria, Purmersteijn en nu bij DCG heb gezien, is dat je als vereniging het liefst spelers ziet doorstromen die het DNA van de club hebben. Dat is belangrijk voor de lange termijn. Wanneer ik jeugdspelers zie die interessant kunnen zijn voor het eerste elftal van DCG, wijs ik Ibrahim daarop. Dan moet je proberen die jongens een kans te geven, bijvoorbeeld tijdens trainingen of oefenwedstrijden. Je laat daarmee ook merken dat ze in beeld zijn.” Volgens Hamami is die verbinding bij DCG inmiddels zichtbaar. Verschillende jonge spelers en voormalige jeugdspelers bevinden zich dicht tegen de eerste selectie aan. Een ontwikkeling die hem minstens zoveel voldoening geeft als een geslaagde training.
Een Excelbestand als vertrekpunt
Wie verwacht dat Hamami op dinsdagmiddag een paar pionnen uit de kast trekt en vervolgens bedenkt welke partijvorm leuk zou zijn, weet inmiddels beter. Zijn trainingsvoorbereiding begint veel eerder. Sterker nog, een belangrijk deel van zijn werk is al verricht voordat de spelers überhaupt het veld betreden. „Het begint ook bij mij met de periodisering. Die houd ik bij in Excel. Ik werk vanuit het model van Raymond Verheijen, waarbij ik de belasting over verschillende weken verdeel. We werken met groot, middel en klein (binnen de voetbal- en trainingsleer van Raymond Verheijen (bekend van de voetbal conditionele periodisering) verwijzen de termen groot, middel en klein naar de omvang van de trainings- en wedstrijdvormen, red.). Daar koppel ik onze voetbalprincipes aan. Wat willen we in een bepaalde periode trainbaar maken? Dat probeer ik voor het hele seizoen uit te werken, zeker voor de eerste seizoenshelft.”
Het uitgangspunt is dat voetbalconditionele ontwikkeling en tactische principes elkaar versterken. Geen losse conditietraining die volledig losstaat van het voetbal, maar oefenvormen waarin spelers tegelijkertijd fysiek, technisch en tactisch worden uitgedaagd. Hamami geeft een voorbeeld. „Stel dat we in een bepaalde wedstrijd directer willen spelen, met een lange bal richting onze aanvallers en waarbij we het middenveld overslaan. Dan is dat een voetbalprincipe dat we in die week centraal stellen. Vervolgens kijk ik welke trainingsvormen daarbij passen. Dat begint bij de warming-up en loopt door tot de partijvormen.”
Daarbij probeert hij de situaties uit de wedstrijd zo herkenbaar mogelijk terug te laten komen. „Als we bijvoorbeeld die lange bal willen trainen, dan moet dat ook terugkomen in de voetbal conditionele prikkel. Dan zit er een lange bal in, een duel, misschien een kopduel of het verwerken van de tweede bal. Het gaat erom dat spelers elementen herkennen die ze zaterdag in de wedstrijd nodig hebben. Je kunt natuurlijk van pion naar pion sprinten, maar ik wil dat zoveel mogelijk koppelen aan het voetbal.” Die benadering vraagt om voorbereiding, maar ook om creativiteit. Want een voetbalprincipe op papier zetten is één ding. Het vertalen naar een oefenvorm waarin spelers daadwerkelijk worden uitgedaagd, is een tweede.

Drie kwartier voor de training begint
Bij DCG heeft de samenwerking tussen Hamami en El Mahdioui inmiddels een vast ritme gekregen. Waar de spelers zich voorbereiden op hun trainingsavond, zitten de twee trainers al bij elkaar. „Meestal komen we om kwart over zeven samen, ongeveer drie kwartier voordat de training begint. Dan presenteer ik wat ik heb voorbereid. Ibrahim kijkt daar vervolgens naar en kan aangeven dat hij bepaalde dingen anders wil zien. Misschien wil hij in plaats van twee tegen twee liever vier tegen vier spelen. Of hij wil minder stationnetjes en juist meer acties. Dan passen we dat samen aan.”
Dat overleg is volgens Hamami essentieel. Hij beschouwt zichzelf niet als iemand die een kant-en-klaar programma aflevert waar de hoofdtrainer vervolgens maar mee moet instemmen. „Er is altijd ruimte voor een gezonde discussie, die ruimte creëren we bewust. En uiteindelijk is Ibrahim eindverantwoordelijk. Dat moet je in mijn rol ook accepteren. Je kunt niet blijven vasthouden aan bijvoorbeeld één oefenvorm omdat je die zelf hebt voorbereid. Als de hoofdtrainer iets anders wil, dan moet je daarin kunnen meebewegen.”
Het is juist die combinatie van zelfstandigheid en samenwerking die zijn functie anders maakt. Hamami krijgt veel vrijheid om zijn ideeën uit te werken, maar binnen de kaders van een gezamenlijke voetbalvisie. Voor El Mahdioui betekent het dat hij zich nadrukkelijker met andere onderdelen van het hoofdtrainerschap kan bezighouden. Van de wedstrijdvoorbereiding en het begeleiden van individuele spelers tot de contacten binnen de vereniging. „Een hoofdtrainer is gedurende de week met ontzettend veel dingen bezig”, legt Hamami uit. „Spelers, bestuursleden, sponsors en natuurlijk de wedstrijd van zaterdag of zondag. Dan is het prettig wanneer je iemand naast je hebt die de trainingen inhoudelijk voorbereidt. Je kunt daar samen over sparren en uiteindelijk een betere training neerzetten.”
‘Er loopt nauwelijks een betere veldtrainer rond’
Hoofdtrainer Ibrahim el Mahdioui hoeft niet lang na te denken wanneer hem wordt gevraagd naar de betekenis van Hamami voor DCG. De waardering voor zijn collega is groot. En die steekt hij niet onder stoelen of banken. „Er loopt naar mijn overtuiging geen betere veldtrainer rond op de Nederlandse amateurvelden dan Yassine. Althans, ik geloof niet dat er veel trainers zijn die aan hem kunnen tippen. Naast zijn tactische kwaliteiten is Yassine ontzettend sterk in het vertalen van voetbalproblemen/ principes naar het trainingsveld. Het grootste gedeelte van onze trainingen wordt door hem verzorgd.”
Volgens El Mahdioui zit de kracht van Hamami niet alleen in zijn inhoudelijke kennis, maar ook in de manier waarop hij die kennis overbrengt. „Hij is absoluut niet de doorsnee assistent-trainer die door spelers niet altijd serieus wordt genomen. Door zijn inhoudelijke kennis, zijn manier van trainen en zijn uitstekende omgang met spelers, heeft hij een natuurlijke autoriteit. Het is alsof een hoofdtrainer zelf voor de groep staat. Spelers die de kantjes ervan aflopen, krijgen dat van Yassine ook te horen.”
Dat laatste is volgens de hoofdtrainer een belangrijk onderscheid. Hamami staat niet op het veld om uitsluitend de oefeningen uit te zetten. Hij corrigeert, stelt eisen en bewaakt de intensiteit en uitvoering. „Traditioneel – vooral in het amateurvoetbal – zie je dat een assistent-trainer voornamelijk een rol vervult ‘binnen de kleedkamer’. Sinds wij bij DCG met Yassine als veldtrainer zijn gaan werken, bevalt die samenwerking zo goed dat we, mocht Yassine ooit bij DCG vertrekken, wat op enig moment onvermijdelijk zal zijn, opnieuw op zoek zullen gaan naar een volwaardige veldtrainer.”
De hoofdtrainer wil winnen, de veldtrainer wil ontwikkelen
Hoewel Hamami zich nadrukkelijk met tactische principes bezighoudt, trekt hij een duidelijke grens bij de verantwoordelijkheden binnen de technische staf. De opstelling, de keuzes tussen individuele spelers en de uiteindelijke wedstrijdtactiek behoren in zijn ogen tot het terrein van de hoofdtrainer. „Daar probeer ik mij zo min mogelijk mee te bemoeien. Natuurlijk, als Ibrahim mij vraagt hoe ik een bepaalde situatie zie of welke speler ik zou opstellen, dan geef ik mijn mening. Maar ik ga niet uit mezelf voortdurend vertellen wie er volgens mij moet spelen. Dat is niet mijn rol.”
Hamami ziet een belangrijk verschil tussen de korte en lange termijn. „Ik ben vooral bezig met de ontwikkeling van de spelersgroep, richting zaterdag, maar ook richting de langere termijn. Ik probeer dat proces te bewaken. Als je het heel zwart-wit stelt, moet Ibrahim ervoor zorgen dat we zaterdag winnen. Hij moet de punten pakken. Ik moet ervoor zorgen dat het proces goed verloopt en dat de spelersgroep beter gaat voetballen.” Het is een interessante taakverdeling. De hoofdtrainer wordt in het amateurvoetbal doorgaans beoordeeld op resultaten, terwijl structurele spelersontwikkeling zich niet altijd onmiddellijk laat vertalen naar punten op de ranglijst. Juist daarom ziet Hamami meerwaarde in een trainer die zich specifiek op dat ontwikkelingsproces kan concentreren.
‘Yassine houdt mij ook een spiegel voor’
Dat de samenwerking tussen beide trainers verder gaat dan de inhoud van een trainingsavond, blijkt uit de woorden van El Mahdioui. Hij beschouwt Hamami niet als iemand die uitsluitend zijn opdrachten uitvoert, maar nadrukkelijk als een collega die hem scherp houdt. „Voor mij persoonlijk is Yassine goud waard. Onder vier ogen is hij kritisch op zowel de vorm als de inhoud van mijn werk. Ik waardeer het enorm wanneer collega-trainers open en eerlijk tegen mij zijn, ook als de boodschap minder prettig is. Yassine schroomt niet om mij een spiegel voor te houden en dat is voor mij van grote waarde.”
Die openheid vraagt om wederzijds vertrouwen. Een assistent die zijn hoofdtrainer durft tegen te spreken, moet weten dat er ruimte is voor discussie. Andersom moet een hoofdtrainer bereid zijn zijn eigen ideeën ter discussie te stellen. Volgens El Mahdioui is die balans bij DCG gevonden. „Ook in zijn rol tussen de spelers en mij in beweegt Yassine zich uitstekend. Hij weet wat er binnen de spelersgroep speelt, voelt goed aan wat er nodig is en weet daarin de juiste balans te vinden. Het is dan ook niet voor niets dat spelers weleens hebben geroepen: ‘Als Yassine bij DCG vertrekt, ga ik met Yassine mee.’”
Het is een uitspraak die veel zegt over de positie van Hamami binnen de selectie. Hij heeft geen eindverantwoordelijkheid, maar beschikt volgens zijn hoofdtrainer wel over het gezag en vertrouwen dat doorgaans met die positie worden geassocieerd.

Niet iedere vereniging is klaar voor een andere assistent
De werkwijze van Hamami is niet uit het niets ontstaan. Eerder vervulde hij een vergelijkbare functie bij Purmersteijn, destijds actief op het niveau van de Vierde Divisie. Daar deed hij ervaring op met een taakverdeling waarin de veldtrainer een groot deel van de trainingsinhoud voor zijn rekening neemt. El Mahdioui kende die werkwijze en zag hoe Hamami zijn functie invulde. Toen zich bij DCG de mogelijkheid voordeed, vroeg hij hem om dezelfde rol op zich te nemen.
Inmiddels werken ze voor het derde seizoen samen. Toch merkt Hamami dat zijn functie elders nog lang niet vanzelfsprekend is. In het verleden voerde hij gesprekken met onder meer De Zuidvogels uit Huizen en Swift, maar daar bleek de behoefte aan een ander type assistent te bestaan. „Die verenigingen waren op dat moment nog niet toe aan het invullen van zo’n positie. Ze zochten vooral iemand die tussen de spelersgroep en de hoofdtrainer kon functioneren. Dat is natuurlijk een keuze die iedere club zelf moet maken, maar ik merk dat de gedachte om een assistent echt inhoudelijk verantwoordelijk te maken voor de trainingen nog niet overal is doorgedrongen.”
Daarmee raakt Hamami aan een bredere discussie binnen het amateurvoetbal. Wat verwacht een vereniging eigenlijk van een assistent-trainer? Moet hij vooral een vertrouwenspersoon zijn, de hoofdtrainer ondersteunen tijdens wedstrijden en zorgen voor een goede sfeer? Of kan hij een zelfstandige specialist zijn die de kwaliteit van het dagelijkse voetbalproces naar een hoger niveau brengt? Volgens Hamami hoeft het een het ander niet uit te sluiten, maar verdient die tweede mogelijkheid veel meer aandacht. „Het moeilijkste is misschien wel om ervoor te zorgen dat er op dinsdag en donderdag gewoon een goede training op het veld staat. Een training die aansluit bij wat je als ploeg wilt bereiken. Ik denk dat veel clubs en hoofdtrainers daarin nog een stap kunnen zetten.”
Meer dan de man met de pionnen
De discussie gaat volgens Hamami niet over de vraag of een assistent belangrijker moet worden dan een hoofdtrainer. Het gaat over het benutten van verschillende kwaliteiten binnen een technische staf. Een hoofdtrainer hoeft immers niet op ieder onderdeel de grootste specialist te zijn. Net zoals een veldtrainer niet noodzakelijk de ambitie hoeft te hebben om iedere zaterdag zelf de opstelling te bepalen.
„Ik hoop dat bestuursleden en hoofdtrainers anders naar deze functie gaan kijken. Dat ze beseffen dat ze niet altijd zelf verantwoordelijk hoeven te zijn voor de volledige trainingsvoorbereiding. Je kunt iemand naast je hebben die dat werk doet, die inhoudelijk sterk is en met wie je kunt sparren. Uiteindelijk kán dat de kwaliteit van je trainingen alleen maar verbeteren.”
Dat is ook de reden waarom Hamami graag over zijn werkzaamheden vertelt. Niet om zichzelf op de borst te kloppen, benadrukt hij, maar om aandacht te vragen voor een functie die volgens hem in het amateurvoetbal nog onvoldoende wordt benut. Zijn eigen loopbaan laat bovendien zien dat de weg naar een volwaardige trainersfunctie niet noodzakelijk via het traditionele hoofdtrainerschap hoeft te lopen. Met zijn ervaring als jeugdopleider, zijn trainersdiploma’s en zijn kennis van trainingsmethodiek heeft hij bewust gekozen voor een rol waarin hij dagelijks met voetbalinhoud bezig kan zijn. En daar ligt vooralsnog zijn grootste voldoening.
‘Zonder Yassine hadden we deze prestaties niet geleverd’
Bij DCG zijn ze zich ondertussen bewust van de waarde van hun veldtrainer. Misschien zelfs iets te bewust, want El Mahdioui beseft dat de kwaliteiten van Hamami ook buiten de vereniging belangstelling kunnen wekken. Toch vindt hij dat geen reden om zijn collega (bewust) buiten de schijnwerpers te houden.
„Ondanks dat ik besef dat dit artikel zijn vertrek mogelijk alleen maar zal bespoedigen, vind ik het meer dan terecht dat iemand als Yassine in de spotlight wordt gezet. Ik durf zelfs te stellen dat we de prestaties die we de afgelopen jaren met DCG 1 hebben neergezet, niet hadden kunnen leveren zonder zijn bijdrage.” De hoofdtrainer besluit met een veelzeggende constatering. „Yassine is veel meer dan een assistent-trainer. Hij is een belangrijke kracht binnen onze technische staf en iemand op wie ik zowel als trainer als collega volledig kan bouwen.”
Voor Hamami zelf gaat het uiteindelijk om een groter verhaal dan alleen zijn werkzaamheden bij DCG. Hij hoopt dat meer verenigingen anders gaan nadenken over de samenstelling van hun technische staf. Dat een assistent niet automatisch de man hoeft te zijn die de hesjes verzamelt, de pionnen neerzet of de hoofdtrainer in de kleedkamer aanvult. Want waar de ene trainer uitblinkt in het managen van een spelersgroep en het nemen van beslissingen, kan een ander juist het verschil maken in de voorbereiding, het ontwikkelen van spelers en het vertalen van voetbalproblemen naar het trainingsveld. Bij DCG hebben ze voor die laatste rol een specialist gevonden. Een Amsterdammer die al bijna twintig jaar in het trainersvak rondloopt, maar die vooral wil laten zien dat er ook buiten de traditionele taakverdeling nog veel te winnen valt.
Reageren? Dat kan! E: info@hetamsterdamschevoetbal.nl
Het Amsterdamsche Voetbal Doelgericht