Home / slideshow / DCG honderd jaar: In gesprek met Arie Castelijn
Arie Castelijn

DCG honderd jaar: In gesprek met Arie Castelijn

De Amsterdamse voetbalvereniging DCG viert op vrijdag 6 november zijn honderdjarig bestaan. Samen met Johan Degenkamp, Arie Castelijn, Jolanda Krap, Samir Allilti, Coen Looijen, Brian Veldhuizen en Ibrahim el Mahdioui bespreken we het rijke clubverleden van de voetbalvereniging. Dit is deel 2: een gesprek met clubman Arie Castelijn

Arie Castelijn is een DCG’er in hart en nieren. De clubman zette zo’n 60 jaar geleden zijn eerste voetstappen op de velden van de club, destijds gelegen aan de Velserweg. Anno 2020 is hij nog altijd trots lid van de Amsterdamse vereniging. “DCG is mijn tweede thuis geworden, waar ik dolgraag kom”, begint Castelijn. Hij is nog altijd actief als vrijwilliger en stond toevallig op het punt om naar de club te gaan. “Vandaag stond op de planning om de koelkast schoon te maken, terwijl ik gisteren nog bezig was met de toiletten en gang.” Het illustreert zijn verbondenheid met DCG. Jaren geleden kroonde de vereniging hem zelfs tot erelid, waarmee hij nog altijd blij is. “Natuurlijk doe ik het daar niet voor, maar ik kan niet ontkennen dat het leuk is om af en toe de waardering te voelen. Wat dat betreft ben ik bij DCG koning te rijk.”

Begin jaren ’60 stapte Castelijn voor het eerst bij de club binnen. Castelijn kan zich uit die tijd nog goed de verbondenheid en warmte herinneren die hij direct voelde. “Het was overigens een stuk minder luxe dan we nu gewend zijn. We moesten regelmatig door de koeienvlaaien heen of een plankje neerleggen om van het ene naar het andere veld te komen. Bovendien hadden we nog een voetbal met de beroemde veter, waardoor je bij een kopbal vaak nog drie dagen last had van je hoofd en een veterafdruk in je gezicht had.” Ook had DCG, evenals vele andere clubs, destijds nog niet de douchevoorzieningen als hedendaags. “De club had toen zes zinken bakken staan met kranen, waaruit alleen maar koud water kwam. Zo pratend realiseer ik me dat er in al die jaren onvoorstelbaar veel veranderd is.”

Castelijn was heel veel jaren als DCG-speler actief en bereikte zelfs een korte periode de Zondag 1. “Het moet in de jaren ’70 zijn geweest, in de tijd van Tom Groot, dat ik één wedstrijd in het eerste elftal speelde. Ik mocht toen invallen, waardoor ik uiteindelijk drie kwartier in de Zondag 1 voetbalde. Het staat zeker niet in verhouding met mijn andere jaren bij de club, maar het is toch mooi om te zeggen dat ik vroeger selectievoetbal speelde. Verder ben ik niet gekomen, dus wellicht heb ik die wedstrijd geen goede indruk achtergelaten”, zegt hij lachend. Vervolgens speelde Castelijn een tijd lang in het tweede elftal, onder de heer Vredevoort. “De trainer rookte sigaren uit een ijzeren doos. In de rust deed hij opeens het dekseltje ervan af en goot hij wat cognac eroverheen. Vervolgens legde hij suikerklontjes erop en moest iedereen een klontje nemen. Dan gingen we in de tweede helft als de brandweer.”

Ook speelde hij wat jaren in het derde elftal, waarin de zoon van de bekende cabaretier Jan Blaaser kwam te spelen. Daardoor was Jan zelf een jaar lang leider van de groep. “Dan weet je natuurlijk wel welke kant dat opging. Het was op een gegeven moment nog maar weinig over technisch voetbal praten en vooral veel moppentappen. Wat hebben we in die tijd gelachen. Maar zodra we binnen de lijnen kwamen, was het weer 90 minuten lang serieus.” Hoewel Castelijn dan niet de Zondag 1 haalde, speelde hij maar liefst 13 jaar lang voor het eerste zaterdagteam. “Bram Wiertz vroeg destijds aan mij om als linksback in dat elftal te spelen. Dat heb ik uiteindelijk volgehouden totdat ik in de Veteranen kwam te spelen.” Dat team richtte hij begin jaren ’90 zélf op. Afgelopen jaar nam hij echter afscheid, al kruipt het bloed waar het niet gaan kan. “Soms doe ik nog wel eens een half uurtje mee, als ze mensen tekort komen. Of ik pak de vlag op. Stilzitten is geen optie.”

In zijn jaren als voetballer deed Castelijn eveneens voldoende andere zaken binnen de club. Zo was hij nauw betrokken in de carnavalsjaren van DCG, waarbij hij in de Raad van Elf een nadrukkelijke rol vervulde. “Koo Koekoek van de KNVB was bij ons een aantal jaren Prins Carnaval. Dat was al die jaren lachen, gieren, brullen. Ik kan me die tijd vooral herinneren als een gezellig samenzijn met de club.” Ook als materiaalman van het eerste elftal verdiende Castelijn zijn sporen. “Ik was tijdens de wedstrijden toch erbij, dus waarom dan ook niet iets doen voor het team. Onder Ton Ojers reisde ik met de selectie zo’n beetje het hele land door en heb ik veel sportparken gezien. Ik hield me toen onder meer bezig met het ophangen van de shirtjes en heb destijds veel wassen gedraaid voor de club.”

Tijdens zijn afscheidswedstrijd in het Veteranenteam, dat anderhalf jaar geleden plaatsvond, kreeg hij van de KNVB een certificaat met zilveren speld voor zijn bewezen diensten. “Dat verwacht je natuurlijk niet bij zo’n wedstrijd. Opeens gingen alle spelers rondom de middenstip staan en stond iemand van de bond tegenover me. Dan weet je het niet meer. Het geeft een trots gevoel en is een gebeurtenis die ik nooit meer vergeet. Al was ik ook zonder deze onderscheiding voor altijd bij de club gebleven.” Castelijn laat zijn club dan ook nooit in de steek. Nog altijd is hij als vrijwilliger belangrijk in de dagploeg, waarbij onder meer de tuintjes rondom het complex onder zijn beheer vallen. “Ik heb er geen woorden voor dat de club deze week honderd jaar bestaat. Prachtig om mee te maken, alsof DCG een kroon op zijn hoofd krijgt.”

Tekst: Jordi Smit
Foto: RKSV DCG

DCG honderd jaar: In gesprek met erevoorzitter Johan Degenkamp

Send this to a friend